Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
langhebbend voorwerp voorkomt, en onderstreep het.
c. Geef" nu vijl' zinnen met een oorzakelijk voorwerp,
dat in den tweeden naamval staat.
ch Schrijf vijf zinnen op met een oorzakelijk voorwerp,
dat voorafgegaan is van een voorzetsel.
e. In de volgende zinnen komt een voorwerp voor : on-
derstreep het, en zeg, wat voorwerp het is.
Wij verlaten ons op n. Ik vertrouw op God. Ont-
fertn u onzer. Gedenk onzer ellende. Stoor u niet aan
die praatjes. Uwe komst is mij hoogst aangenaam.
Dat boek bevalt me niet. Gij behoeft u zijner niet te
schamen. Ik schrijf eenen brief. Ik verzend eenen
brief. Ik ben zwoegens moede. Wij gelooven aan God.
Dat woord is mij in drift ontvallen. Zij konden den
vijand niet machtig worden. Daar zijt gij uw leven
niel zeker. Hij is het spoor bijster. Hij is trotsch op
zijne geboorte. Ik sta voor hem in. Hij eigent zich de
eer toe. Ilij matigt zich gezag aan. Hij is ons ontloo-
pen. Het ontbreekt hem aan moed. Gij zijt ons wel-
kom. Hij brandt zich de vingers. Dat is mij lastig
genoeg. Ik onderwijs hem. Ik onderwijs de geschie-
denis. Ik onderwijs hem de geschiedenis. Wij vragen
u naar den weg. Wij vragen u den weg. Hij heeft de
boodschap vergeten. Hij is de boodschap vergeten.
7. a. Zij wonen nu te Amsterdam. Later gaan zij verhuizen
naar Utrecht. Zij zijn gekomen van Rotterdam,
h. Morgen zal het feest beginnen. De plechtigheid duurde
een half mir. Sinds verleden jaar spraken we hem niet
c. Dat kind \oo\)i gebrekkig. Uw paard draaft Oj^ de mwsie/c
d. Dat boek kost eenen gulden. Lekker is maar eenen vin-
ger lang. Hij heeft in zijn leven veel gewerkt.
e. Hij heeft heel hard geloopen. We hebben onsinhooge
mate vermaakt.