Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
nog dit verschil, dat de eerste veimeld is, teneinde de
bedoelde zelfstandigheid te onderscheiden van eene
andere van dezelfde soort, terwijl de tweede eene
eigenschap op den voorgrond hretigt, die toch reeds
in het begrip lag opgesloten. Als men van zekeren
veldheer spreekt, geeft het gebruik van trotsche krijgs-
man volstrekt geene nadere aanduiding dan de krijgs-
man, maar in 't eerste geval wordt eene eigenschap
opzettelijk genoemd, die anders misschien ondersteld
werd; in ieder geval weet nu de hoorder, dat tot de
eigenschappen van den voldoend bekenden krijgsman
de trotschheid behoort. Uit verschil in dienst der bijvoeg-
lijke bepaling geeft bij onzijdige zelfst. naarnw.. vooraf-
gegaan van het lidwoord van bepaaldheid of een bezit-
telijk voornw., aanleiding tot verschil in buiging bij het
bijvoegl. naamw.
Zijn oud paard is gestorven: zijn oude paard is ge-
storven. In het eerste voorbeeld wordt (met nadruk) de
aandacht gevestigd op zekere eigenschap, zonder meer;
in het tweede voorbeeld strekt de vermelding der eigen-
schap, om het bedoelde paard te onderscheiden van
andere paarden,
fi. De bakker bakt brood. De hond bijt dat kind. Ik koo|)
mijn zusje een boek. Dat is haar aangenaam. Het water
staat mij in de schoenen. Wij bezorgen dien heer een
pakje. Gedenk zijner. Ik wacht op mijnen triend. Wij
denken aan den oorlog.
De gecursiveerde zinsdeelen zijn vooncerpen. Soms kan
men van het voorwerp zeggen: het noemt de zelfstandig-
heid, die door de werking ontstaat of de werking onder-
gaat ; dat voorwerp heet lijdend voorwerp: het werkw.,
dat zoo'n voorwerp bij zich neemt, heet overgankelijk
of transitief werkwoord. In andere gevallen treedt het