Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
!)ü
van den voorbaanden zin. Water drinken is minder
algemeen dan drinken; den ganschen dag werken is meer
begrensd dan werken; het begrip koe is ruimer dan
het begrip bonte koe; met schoone natuur mag hetzelfde
worden aangeduid als met natuur, in de eerste uit-
drukking wordt de hoedanigheid schoon opzettelijk ver-
meld.
2. In het eerste paar zinnen ontdekken we een inniger
verband tusschen de bepaling en het bepaalde dan
in de overige zinnen. Zonder de bepaling geeft de zin
dadelijk den indruk, dat de gedachte minder volledig
is voorgesteld, om welke reden dan ook. Tal van werk-
woorden behoeven zoo'n bepaling, om eene geheel vol-
ledige gedachte uit te drukken. De bepaling is daarom
eene noodzakelijke of aanvullende bepaling; men noemt
haar voorwerp of object. De werkwoorden, die een object
bij zich hebben of kunnen hebben, heeten objectieve
werkwoorden.
3. In de zinnen onder 3 en 4 vinden we bepalingen,
die wel strekken, om de gedachte nauwkeuriger uit te
drukken, maar toch ook kunnen wegblijven; ter ver-
krijging van een bevredigend geheel is dus de bepaling
niet noodzakelijk. Men noemt ze toegevoegde bepaling.
4. De bepalingen onder 3 en 4 verschillen daarin van
die onder I en 52, dat de eerste eene zelfstandigheid
bepalen, de tweede eene niet-zelfstandigheid, b.v. eene
werking of eenen toestand. De bepalingen onder 3 en 4
heeten daarom bijvoeglijke bepalingen, die onder 1 en 2
voorwerpen voor zoover ze noodzakelijk, bijtcoordelijke be-
palingen, voor zoover ze toegevoegd zijn. Hieruit volgt
dadelijk, dat het soms moeilijk is uit te maken, of de
bepaling een voorwerp of wel eene bijwoordelijke bepaling is.
5. Tusschen de bijvoeglijke bepalingen onder 3 en 4 is