Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
Bevestiging of ontkenning.
9. Afgescheiden van de vraag, of eene gedachte het re-
sultaat is van weten, gevoelen of begeeren. kan de ver-
houding tusschen de beide hoofdbestanddeelen van den
zin nog tweeërlei zijn. De voorstellingen, uitgedrukt door
onderwerp en gezegde, passen bij elkaar of niet. De uit-
drukking van het eerste geval geschiedt door den bevesti-
genden zin, die van het tvieede door den ontkennenden 7.\n.
Voorb. De jongen iverkt. De jongen werkt niet. Wij
gaan morgen naar Amsterdam. Wij gaan morgen niet naar
Amsterdam.
[Eigenlijk diende het ontkennend bijwoord, als bepa-
lende het verband tusschen onderwerp en gezegde, tus-
schen deze beide zinsdeelen in te staan. Dit was vroeger
ook werkelijk het geval met het ontkennende en: ik en
ga = ik ga niet. Later is niet er bijgekomen ter ver-
sterking van de ontkenning: «ik en weet niet wat":
«'t en zal hem niet gelukken" enz. Eindelijk is het ver-
sterkende woord alleen overgebleven. Nog vinden we
't ontkennende en in tenzij en tenware.
40. Wanneer het ontkenningswoord op eene ongewone
plaats staat, blijft de zin ontkennend; maar die afwij-
kende plaatsing in verband met den klemtoon heeft ten
gevolge, dat de ontkennende zin onmiddellijk doet den-
ken aan eenen anderen zin, die bevestigend is.
Voorb. Wij gaan morgen niet naar school, (gewone
ontkenning).
Niet wij gaan morgen naar school. Ook in dezen zin
passen de beide hoofddeelen ivij en morgen naar school
gaan niet bij elkaar; maar de zin doet dadelijk de gedachte
ontstaan : anderen gaan morgen icel naar school.
Wij gaan niet morgen naar school. De zin is ont-