Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
7. 1. Jan zeide: y,icij hebben geen tijd meery 2. Jan zeide,
dat zij geen tijd meer hadden.
I. Willem vroeg: ^kent gij mij?*' ± Willem vroeg, of ik
hem kende.
1. Kent gij mij? 2. Ik vraag m. of gij mij kent.
i. O, icaart gij trouw en eerlijk gebleven! 2. Ik wenschte,
dat gij trouw en eerlijk waart gebleven.
1. Haal mij dat boek! 2. Ik gebied ii, mij dat boek te
halen, {dat gij mij dat boek haalt)
I. De koning schenke hem genade! 2. Een ieder hoopt,
dat de koning hem genade schenke.
Uit de voorbeelden blijkt, dat oordeelende, vragende,
uitroepende, gebiedende en wenscbende zinnen i^ïdirect,
öf indirect zijn. In het eerste geval worden de woorden
des sprekers gebruikt, in het tweede geval wordt slechts
zijne meening kenbaar gemaakt. Directe zinnen zijn hoofd-
zinnen of bijzinnen met de tooordschikking van den hoofd-
zin, Indirecte zinnen zijn naar dienst en vorm bijzinnen.
8. Aan het eind van eenen oordeelenden zin plaatst men
eene punt.
Aan het eind van eene directe vraag plaatst men een
vraagteeken, van eene indirecte vraag eene punt.
Directe uitroepende, gebiedende en wenschende zinnen
worden gevolgd door een uitroepteeken; men zet eene
punt achter deze zinnen, wanneer ze indirect zijn.
OPMKRKING. Let men enkel op de constructie, dan kan men
zeggen, dat een zin inhoudt:
a. een oordeel (of mededesling),
b. eene vraag, of
c. een gebod.
De Taal heeft namelijk voor uitroepen en wenschen geene afzonder-
lijke vormen.
fi*