Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
Zooals uit de voorbeelden blijkt, drukken de uilroepings-
zinnen de meest verscheidene gevoelsgewaarwordingen
uit, als: vrees, smart, vreugde, afkeer enz.; door het
gebruik van tusschemcerpsels wordt de kracht van den
zin versterkt.
De wenschende zinnen in de voorwaardelijke wijze
drukken uit, dat de vervulling van den wensch onmo-
gelijk of onwaarschijnlijk is ; zoodoende wekken zij een
gevoel van weemoed op en zijn ze ook van dat gevoel
de uitdrukking. Men kan ze daarom tot de uitroepings-
zinnen rekenen : Bat hij nog leefde ! Hadt gij dat maar
verzwegen!
6. De gebiedende (en wenschende) zinnen drukken den
icil van den spreker uit; naar de verhouding, waarin
de spreker tot den aangesprokene staat, bevat de zin
een bevel, eenen tcensch, een verzoek, eene bede, eenen
raad, eene aansporing enz. De toon draagt er in hooge
mate toe bij. hoe de wilsuitdrukking moet worden op-
gevat. De onderscheiding in gebiedende en wenschende zin-
nen is het gevolg van genoemd verschil in verhouding
tusschen spreker en hoorder: Heer, leid ons niet in ver-
king — wenschende zin, hoewel 't werkw. in de gebie-
dende wijze staat. Salomo zegt: men brenge het kind voor
mij — gebiedende zin, ofschoon 't werkwoord in de aan-
voegende wijze staat. Behalve door de gebiedende en de
aanvoegende wijs kan een bevel worden uitgedrukt:
a. door eenen infinitief: oppassen, jongens!
b. door een verleden deelwoord : opgepast, jongens!
c. door den persoon van den onv. teg. lijd van de
aantoonende wijst: gij past nu maar eens beter op!
d. met behulp van eenen vorm van moeten of zullen:
gij moet (zult) oppassen ; gij zult niet stelen; gij zult
geene valsche goden aanbidden !