Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
de gedachte, wordt vooropgezet. Het nieuws, dat wat aan
die vooropgezette voorstelling wordt verbonden, isgezegde.—
Wie roept daar ? Wie zijn de gewonden 9 Bekend is
het, dat er roepende personen, dat er gewonden zijn. De
voorstelling daarvan wordt nu in 't antwoord het onder-
iverp, wat aan die voorstelling verbonden wordt, het
gezegde. De antwoorden zouden kunnen zijn : de roepen-
den (wat gij daar noemt) zijn die lieden; de gewonden
(ondw.) zijn onze neven (gez.). Als men de zelfstandighe-
den aanduidt in plaats van ze te noemen, verkrijgt men
de antwoorden :
Zij die lieden) zijn het de roependen);
zij (— onze neven) zijn het de gewonden).
Evenzeer als roependen en gewonden het onderwerp uit-
maken in de eerste zinnen, is het onderwerp in de laat-
ste zinnen ; die lieden en onze neven zijn in de eerste
zinnen het gezegde, zij is dat in de laatste.
Dus, wanneer ik hen het, wij zijn het antwoorden zijn
op formeele vragen, dan ontlede men : ik = onderw.;
hen het ~ gez. ; wij — onderw. ; zijn het — gez. Zijn
ze antwoorden op materiëele vragen, dan kan men ze
volgens eene vroegere beschouwing op dezelfde wijze
ontleden, maar dan kan volgens het voorgaande de ont-
leding ook zijn : het =: onderwerp, hen ik gez.; het
=r onderwerp, zijn wij — gez.
Wij geven de voorkeur aan de beschouwing op bladz.
()'(-; die beschouwing is in overeenstemming met het
feit, dat de persoonsvorm van het werkwoord het onder-
werp van den zin betreft.]
O. Hu, hoe vreeslijk ratelt de donder! Ach, wat ziet het
er daar treurig uit! Foei, wat was dat slecht van hem l
Helaas, dat ge daar op de doodbaar ligt! Hoera, daar
komt de Koning !
boswijk en walstra. Het Levende Woord. II. 4de drnk. 6