Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
Hoe komt men het gemakkelijkst te Keulen? [langs dezen weg).
Deze vragen heeten materiëele vragen. Men doet ze,
oin aangaande de eene of andere voorstelling iets bijzon-
ders te vernemen. Ue hoorder kan niet antwoorden met
ja of 7ieen, maar met een zinslid ter vervanging van het
vraagwoord (vragend voornaamwoord of vragend bij-
woord). Wordt het antwoord in eenen vollen zin gege-
ven, dan zal het zinslid, dat correspondeert met het
vraagwoord, dezelfde grammatische waarde hebben als
het vraagwoord : m. a. w., is dat vraagwoord onderwerp,
dan zal bedoeld zinslid ook onderwerp zijn; is het
vraagwoord voorwerp, dan zal bedoeld zinslid eveneens
voorwerp zijn enz.
[Uikwijls worden vragen beantwoord met zinnen als
ivij zijn het, ik beii het. liij de formeele vragen geeft de
ontleding dezer antwoorden volstrekt geene moeilijk-
heid. Immers op de formeele vraag zijt gij de gewonden?
luidt het antwoord ja, met de beteekenis wij zijn de
gewonden, of korter, wij zijn het. Van nieuwe elemen-
ten is geen sprake : het ligt dus voor de hand. dat de
ontleding van het antwoord volkomen overeenstemt met
die van de vraag.
Bij de materiëele vragen is de zaak eenigszins andeis
gesteld. Immers de antwoorden bevatten iets nieuws.
Voor zoover nu het antwoord bestaat uit eenen zin.
waarin twee zelfstandigheden tot elkaar in betrekking
worden gebracht door een koppelwerkwoord, kan men
de zaak anders beschouwen.
Wie klopt daar? (materiëele vraag).
Antw.: wij kloppen; wie onderwerp, wij onderwerp.
Ander antwoord: wij zijn de kloppenden oï %vij zijn het.
Uit de vraag weten we, dat er kloppende personen zijn ;
de voorstelling daarvan komt bij het antwoorden't eerst in