Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
lot een bepaald oordeel te komen. Zij heeten vragende
zinnen.
3. Zijt gij soldaten?! = Gij zijt geen soldaten. Behooren
deze landerijen niet aan ons ? — Deze landerijen behooren
aan ons.
Deze zinnen hebben den vorm eener vraag; zij bevat-
ten echter een gevestigd oordeel en doen geen antwoord
verwachten. Wanneer zij ontkennend zijn, drukken zij
eene bevestiging uit, en omgekeerd. Zulke vragende zin-
nen heeten oneigenlijke of rethorische vragen. Soms hou-
den zij een bevel of eene bedreiging in, b. v.: Kunt
gij dat laten? Moet ik 't nogmaals verbieden? Zult ge
zwijgen? — De eigenlijke vragen bevatten geen volko
men oordeel en behoeven een antwoord, b. v,: Wie
reed zoo laat door iveer en wind? Antw. Het was een
vader met zijn kind.
Sta ik voor den koning? {Ja.) Zijt gij zijn broeder? {Neen,)
Is hij ziek? {Ja,) Wonen zij te Amsterdam? {Neen,)
Vragen ais bovenstaande doet men, om te vernemen,
of onderwerp en gezegde al of niet bij elkander passen.
J)e hoorder kan antwoorden met ja of nee^i, In 't eer-
ste geval zou hij ook kimnen antwoorden met eenen
zin. die volkomen dezelfde leden bevat als de vraag,
maar bevestigend is, in het tweede geval kan het ant-
woord een ontkennende zin zijn, alweer met dezelfde
leden als de vraag. Zulke vragen heeten formeele vra-
gen. Ze worden bewerkt door de woordschikking, waarbij
het gezegde of een deel daarvan (het vervoegde werk-
woord) eerst wordt uitgedrukt.
Wie heeft Pruisen tot een koninkrijk verheven? {Fre-
derik I.) Welk is het nuttigste van alle metalen? {het
ijzer,) Wien bestreden de bondgenooten bij Leipzig? [Na-
poleon.) Waardoor smelt de sneeuiv ? (door de warmte.)