Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
De brief wordt geschreven. De hoed staat goed. De
jurk valt goed. Dat is uw portret. Hare (der bijen i
woning is een korf. De waarheid blijft. Mijn oom
blijft nog. J»e brief is af. De brief is geschreven.
Hij breekt den stok. De stok breekt. De meid kookt
het water. Het water kookt. I»e arme mati was
geheel verslagen. Het leger was verslagen. De akker
ligt braak. De school is uit. De Jas hangt aan de
deur. —
Wijs van deze zinnen het gezegde en het onderwerp
aan. Aldus:
Mijn oom
blijft (nog)
De akker
ligt braak
onderwerp,
gezegde,
onderwerp,
gezegde.
De jas...........onderw.
hangt (aan de deur)......gez.
k. Zeg van al deze zinnen, of het gezegde vermeldt:
I. een doen van eene handeling (actieve zin),
een ondergaan van eene handeling (passieve zin),
3. een verkeeren in eenen toestand (immutatieve zin) of
i. een komen in eenen toestand (mutatieve zin).
4. Verdeeling der zinnen. {Vervolg),
a a I- de uitgebreidheid.
1. De jongen slaapt.
2. De zieke jongen slaapt.
3. De jongen mijns buurmans slaapt.
4. De metelaar metselt.
5. De metselaar metselt eenen muur.