Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
(het actieve werkwoord is intransitief, kan dus geen
lijdend voorwerp hebben; de passieve zin moet wel
het lijdend onderwerp missen. Zin h is gevormd naar
zin rt, en c weer naar zin b,]
"2. De weiden worden groen. De weiden groenen. Die man
sterft. De koorts verdwijnt. Het linnengoed bleekt. Het laken
%cordt bleek. De luchtballo7i stijgt. De vijand nadert. Jan
wordt officier. Het geschil ontstond. Het licht verdwijnt.
A'an de werkwoorden in deze voorbeelden kunnen we
zeggen: zij drukken als gezegde uit, dat het onderwerp
in eenen toestand, stand of betrekking geraakt. Sommige
drukken alleen het geraken in, het overgaan tot eenen
toestand uit. terwijl dan een hoedanigheidswoord den
toestand vermeldt. Groen worden, groenen, sterven, ver-
dwijnen, bleeken, bleek worden noemen w e daarom mutatieve
werkwoorden. He zimien, waarin ze voorkomen, heelen
m,utatieve zinnen. — Alle mutatieve werkwoorden (ook
het abstracte werkwoord tvoi'den, dat met een hoedanig-
heidswoord eene mutatieve uitdrukking vormt) worden
vervoegd met zijn.
3. Die jongen is ziek. Dat kind ligt. Broertje zit op eene
bank. Hij schijnt arm. Netheid behaagt ieder. Er is rust.
De hond is trouw. De inkt is eene vloeistof.
Liggen, zitten en vele andere werkwoorden geven als
gezegde te kennen, dat het onderwerp in eenen toestand,
stand of betrekking verkeert. Zulke werkwoorden heeien
immutatieve werkwoorden, de zinnen, waarin zij voorko-
men, immutatieve zinnen. Ook abstracte werkwoorden'kop-
pelwerkwoorden ■ kunnen met een hoedanigheidswoord
hetzelfde te kennen geven, alzoo eveneens immutatieve
zinnen helpen vormen: ziek zijn, arm schijnen. Alle
immutatieve werkwoorden (onverschillig, of zij alleen
het gezegde vormen of wel met een hoedanigheidswoord)