Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
08
komt mij juist voor (te zijn.) Wordt zijn gebruikt, dan
zijn de andere werkwoorden, lijken, blijken enz. geen
koppelwerkwoorden meer. Dat zijn zij evenmin, als zij
gevolgd worden door eenen anderen infinitief: hij heet
te leeren ; hij schijnt te werken enz. De woorden lijken,
heeten, blijken, schijnen enz. »geven dan aan, of de open-
baring van bestaan, door den volgenden infinitief uitge-
drukt. voor den spreker schijn, gerucht of werkelijkheid
is." Zij hebben dus het karakter van modaliteitswerkwoor-
den. — Ze komen in zooverre met de gewone koppel-
werkw. overeen, dat zij een deel van het gezegde (en
wel den persoonsvorm) uitmaken, terwijl de volgende infi-
nitief het andere deel is (te vergelijken met naamiv, deel).
(i. Wanneer het koppelwerkwoord zijn gebruikt wordt en
het naamwoordelijk deel van 't gezegde iseenzelfst.n.tc.,
voorafgegaan van een lidw. of eenig bepalend woord, dan
is het soms moeilijk uit te maken, wat onderwerp, wat
naamwoordelijk deel van 't gezegde is. Men lette echter
hierop: het naamwoordelijk deel van 't gezegde noemt
een kenmerk, dat op het onderwerp toepasselijk is, of eene
rubriek, waartoe het te brengen is. Doet men dit. dan is
het niet moeilijk in te zien, dat in de volgende voorbeel-
den het gecursiveerde het naamwoordelijk deel van 't ge-
zegde is: Hij is metselaar. De spreeuw is een vogel. Die
knaap is mijn neef. Die knaap is mijn eenige neef. Erwten
en boonen zijn goed voedsel. Erwten en boonen zijn het
beste voedsel voor paarden.
Opgaven.
a. Zoek uit de voorbeelden dezer les al de zinnen, waarin
het gezegde gevormd wordt door een werkwoord.
b. Schrijf nu de zinnen op, waarin het gezegde bestaat uit
een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel.
c. Maak zelf vijf zinnen, waarin het gezegde alleen een