Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
dit naamwoordelijii deel is wel niet altijd een naam-
woord. maar toch steeds een woord of eene uitdrukking,
in beteekenis met een naamwoord overeenstemmende.
Het werkwoordelijk deel noemt men koppelwoord of kop-
pelioerkwoord, het naamwoordelijk deel heet hoedanig-
heidswoord (of uitdrukking).
2. Als koppelwerkwoorden komen voor: zijn. blijven,
worden, lijken, blijken, schijnen, dunken, voorkomen, heeten;
terwijl veie werkwoorden, die met hunne gewone betee-
kenis alleen het gezegde uitmaken, in sommige ziimen
die beteekenis afleggen, om af te dalen tot den rang van
koppelwerkwoorden (abstracte werkw). Vergelijk hier-
voor : het kind zit op de bank, ik zit verlegen om geld ;
het boek ligt op de tafel, de akker ligt braak ; de appel
valt van den boom, de man valt wat driftig; ik raak
den bal, de jongens raakten handgemeen ; we gaan naar
Amsterdam, de deur gaat open; de lamp staat op de
tafel, die man staat schuldig aan diefstal enz.
3. Omgekeerd kunnen sommige abstracte w.w. voorkomen
met genoeg beteekenis, om zonder hoedanigheidswoord
het gezeüde te vormen.
Heeten is dan een overgankelijk wei'kw.; de overige zijn
in dit geval onovergankelijke werkwoorden.
Zoo heeft zijn al zeer verschillende beteekenissen en
vormt dikwijls alleen het (volledig) gezegde :
Zijn bestaan. Mijn vriend is niet meer.
Zijn ^ zich bevinden. De jongen is in de school.
Zijn = geschieden. Het was in 18i8, dat Nederland eene
nieuwe Grondwet kreeg, niet in 184;».
Zijn = beduiden, voorspellen. De lucht betrekt: dat is
regen.
Zijn verbeelden. Dat portret is mijn broer.
Zijn maken, gelijk zijn aan. Twee maal twee is vier.