Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
r>5
behooren. In de volfrende voorbeelden noemen weliet ffoeursiveerde ^^e-
deelte liet ^'ezejrde: de hond blaft: hij itt mijn vriend ; ww hYo^r bracht
mij in de war; ik kan best met hem overweg.
Is het Gezepfde «jevonden, dan plaatst men daarvoor het vra<r. voor-
naamw. wie of wat, en het antwoord oj) de aldus verkregen vraa<j
is het Onderwerp van den zin. Gaat men steeds op deze wijze te
werk, dan zal het aanwijzen van het Gezegrde (in enjreren zin, zon-
der bepaliui;en) en van het Onderwerp niet moeilijk vallen.
Voorbeeld. De kraai worden de oo<ren uitgestoken.
A'ervoejrde w. w. = werden uitgestoken = fMezeffde.
Wie of wat werden uitgestoken ? Antw. De oogen = Clnder-
werp.
Dezen hak werd gisteren de bodem ingeslagen.
Vervoegde w. w. = werd ingeslagen = Gezegde.
Wie of wat werd ingeslagen ? Antw. De bodem = Onderwerp.
In het Gezegde wordt eene openbaring van bestaan (hetzij, eene han-
deling, lietzij een toestand) vermeld. De zelfstandigheid, waarvan de
openbaring van bestaan uitgaat (waarop door den persoonsvorm gewe-
zen wordt), is het Onderwerp en wel het logisch Onderwerp. De naam
of aanduiding dier zelfstandigheid, van het logisch (Jnderwerp dus, is
het Onderiverpswoord of het grammatisch Onderwerp. In sommige
zinnen — denk sleehts aan de gebiedende — komt geen Onderwerps-
woord voor; het logisch Onderwerp ontbreekt natuiirljjk nooit.
2. Verdeeling der zinnen.
Naar den vorm van het gezegde.
. Met paard draaft. Het paard is sterk.
I»eze heer wandelt. Deze heer is van adel.
Dat kind liegt. Dat kind lijkt valsch.
l*e visch zwemt. Die man is bij de hand.
In de zinnen van de eerste rij wordt het gezegde ge-
vormd door het werkwoord; in die van de tweede rij
heeft het werkwoord zijne beteekenis voor een goed deel
afgelegd. In vereeniging met een of meer andere woorden
vormt het daar het gezegde. Het gezegde bestaat dns
uit een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel;
lioswiJK EX Walstra, Het Levende Woord II. 4de druk. 5