Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(ii
ziek? is ik natuurlijk het onderwerp. Dit is eveneens
het geval, wanneer genoemd ziimetje het antwoord is
op de vraa^: wie klopt daar? of xcie is de klopper?
In de laatste twee zinnen stelt men de onbekende
zelfstandigheid \wie?) in de gedachte als onderwerp
voorop, om er daarna de bestaansopenbaring kloppen
aan toe te keimen. In 't antwoord ik hen het is ik.
als parallel loopend met wie in de vraag, duidelijk het
eerst vastgestelde onderwerp van ons denken, terwijl
het op kloppen of den klopper wijst. Nog vergelijke men :
Wie doet dat ? Ik (doe dat).
Wien gaaft gij het? Hem (gaf ik hel).
Wien ziet gij ? Hem (zie ik).
Men ziet dus, dat in de verschillende voorbeelden de
betrekking tusschen het onbekende en het bekend ge-
maakte steeds volkomen dezelfde is ; het antwoord bevat
telkens eene parallel van het onderwerp in de vraag en
deze parallel is het onderwerp van 't antwoord]. *)
OPMEKKIXGEN. Andere detinitie van den zin. Een zin is een persoous-
vonn van een werkwoord, al of niet vergezeld van andere woorden, waar-
door eene gedachte wordt uitgedrukt.
Wat eene gedachte (en dus ook de zin als de voorstelling er van) al kan
bevatten, blijkt op bl. 77 en vervolgens.
Door gebruik te maken van den term persoonsvorm onderscheidt men
eenen zin van eene onregelmatige verhindiriy van woorden: de defini-
tie is niet toepasselijk op elliptisclie zinnen.
Dat (Ie persoonsvorm, het vervoegde werkiv- ordy de grondslag
is van den zin, de gansche zin iii klem, veel meer dus dan een ge-
woon zinsdeel, blijkt ook hieruit, dat men elk ander deel van den zin
kan vervangen dw eenen bijzin, den persoonsvorm alleen niet.
AVat is het CwCxeade van eenen zin y Antw. De i)ersoonsvorm van het
werkwoord alleen, of in vereeniging met woorden, die er noodzakelijk bij
*) Eene andere ])eschouwing over deze zinnen vindt men in § 5 van dit
hoofdstuk l)ij de beliandeling der vragende zinnen.