Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
()3
'2. De aarde — draait. De roos — is rood. De tafel —
is van hout. Het kind — wordt opgevoed. Be leeuwerik —
is een zangvogel.
De gedachte hestaat noodwendig uit twee leden :
a. de voorstelling van datgene, waarover gedacht wordt,
dus van 't uitgangspunt bij 't denken, van "t geen men
in zijn denken vooropzet,
h. de voorstelling van datgene, 'twelk met het eerste lid
in betrekking wordt gebracht.
Met eerste lid heet het onderwerp der gedachte; het
tweede lid het gezegde. liet ligt voor de hand. dat men
die twee leden terug zal vinden in de voorstelling der
gedachte, d. i. in den zin; in de meeste regelmatig
gebouwde zinnen is zulks dan ook het geval. De voor-
stelling van het onderwerp der gedachte heet het onder-
werp van den zin; de voorstelling van het gezegde der
gedachte heet het gezegde van den zin. liet ondenverp
van den zin doet denken aan eene zelfstandigheid, het
gezegde noemt eene der wijzen, waarop die zelfstan-
digheid haar bestaan openbaart. Zoo noemen draaien,
rood zijn, van hout zijn, opgevoed ivorden, zangvogel zijn
de wijze, waarop de zelfstandigheden aarde. roos. tafel,
kind en leeuwerik zich aan den spreker voordoen.
[ »Het onderwerp stelt steeds die zelfstandigheid voor,
welke men in de gedachte vooropzet, m. a. w. die
zelfstandigheid, welker bestaan men van te voren aan-
neemt, om er daarna de eene of andere openbaring van
bestaan aan toe te kennen." Die zelfstandigheid kan
genoemd of aangeduid, bepaald of onbepaald, bekend of
onbekend zijn: de man werkt, hij werkt, dit tod werkt,
iemand werkt, wie werkt ? de jongen is vlijtig, hij is
vlijtig, iemand is vlijtig, wie is vlijtig ?
In den zin ik ben het als antwoord op de vraag zijt gij