Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
klaart ge 't gebruik van 't meervoud van lentelucht?
Bit ruimt den zomer plaats. Ruimen = ruim maken, plaats
maken, ledigen, wegnemen. Verklaar nu gebruik
van ruimen in: plaats ruimen voor iemand; de vijand
ruimde 't land ; eene kamer ruimen ; zwarigheden uit
den weg ruimen ; iemand uit den weg ruimen.
Dees laat de Herfst den oogst. De oogst is begonnen ;
de oogst is binnen. Welke verschillende beteekenissen
heeft oogst hier? Welk woord kunt ge bij /aai invullen:
na, over of achterst (Zie pag. 41.)
Tot zij heur buien strijkt. Met de hand over iets strijken ;
de wasch strijken ; de vlag strijken ; de zeilen strijken ;
een vonnis strijken; met iets gaan strijken. Met welke
beteekenis van strijken in deze uitdrukkingen komt
die van genoemd werkw. in bovenstaand vers 't meest
overeen ?
Noorderwindgeblaas. Men schrijft: Noordenwind, Zuiden-
wind, doch Noorderzon, Zuiderzee; {en rr waar van
daan ; er — waar.) Is 't dan wel in orde met boven-
staande samenstelling ?
Maar maan en jaar neme af. Iloe verklaart ge hier 't
gebruik der aanvoegende wijze? In welke betrekking
staat deze bijzin tot zijnen hoofdzin ?
Noem het tegengestelde van afnenem in: zijne krachten
nemen af; den hoed afnemen; de tafel afnemen;
*t afnemen der maan.
Wij, dalen ive eens in 't graf. Waarom staat dalen in den
tegenw. en ging (in 't volgend vers) in den onv. verl.
tijd ? Wanneer zegt men van iemand, dat hij met den
eenen voet in 't graf staat; dat hij aan den rand
van 't graf slaat?
Een enkle schim, een hand verstuivend kaf. Onze nietig-
heid kon moeielijk sterker uitgedrukt worden. Toon