Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
TER INLEIDING.
J$j| het vcrschjjiicn van dit stukje ineeiion we nojjf met een enkel
woord te moeten wijzen op de strekkin«- en het doel dezer iüt;xa\'e.
liet <;roote aantal woorden en nitdrukking'en, dat naar aanleiding van
een stukje proza of poëzie behandeld wordt, wijst duidelijk aan. dat
we in de eerste plaats Stijloefeningen bedoelen.
Dt^ opj^aven, ter schriftelijke uitwerking «rejïeven na elke behandelde
les, staan met deze natuurlijk in minder nauw verband dan de woor-
den en uitdrukkinj^en, die verzameld, ver<jeleken ofbesproken worden.
Intusschen zij opgemerkt, dat laatst<?enoemdo toch in den reg:el onze
k(Hiz<' van de schriftelijke op{?aven bepaalden. We vleien ons, voor
voldoende afwisseling: en rijke verscheidenlieid jyezorgd te hebl)en en
daarbij niettemin eene zekere eenheid en afrondinjr te hebben verkrejrcn.
Omdat wij aansluitinji' bjj de taal in de practijk boven eene categori-
sche behand(»lin«; stelden, valt de eenheid en afrondinjr minder in 't
oojf; maar dat een en ander niet ontbreekt, zal blijken, als men opmerkt:
hoe tal van uitdrukkingen zijn opj^enomen, aan eenirr d(^el van 't
menschelijk lichaam ontleend,
hoe telkens en telkens weer op de wijzig:(uide kraclit van voor- (^n
achtervoeg-sels wordt gewezen,
hoe tal van de meest bekende synoniemen op ])ractische wijze worden
iM'iiandeld.
Taaloefeninjren lie])i)en we niet buiten j^esloten. Immers, lioe men
ook de S])raakleer beliandelt, hetzij naar aanleidinjr van een It^erboek,
hetzij naar aanleiding van een stukje proza of i>oëzie, sommige zaken
worden enkel aangeleerd door oefening. Daartoe rekenen we het zuiver
schrijven van woorden met e of ee, o of oo, ij of ei, s of sch, het
onderscheiden van tw<H' meervoudsvormen van een woord, de meer-
slachtigh<^id enz.
't Behoeft nauwelijks meer gezegd, dat we voor ons werkje eene
bescheiden plaats vragen naast de eigeuHjke Spraakleer, dat we die
spraakleer niet willen vervang(^n. AVaar behalve d(ï leesles twee uren
beschikbaar zjjn voor het taalonderwijs, daar meenen we, dat ons
w(H'kje in e<'n dier lesuren goeden dienst kan bewijzen.
De eerste afdeeling van dit deeltje komt in wijz(^ van behandeling
g(^h(^el overeen met het eerste stukje.
Bij de tweede afdeeling, „de Enkelvoudige zin'' moesten we eenigs-
zins afwijken van den tot dusver gevolgden weg. Hier toch konden
we streven naar zekere volledigheid; hier ook moesten we wel opne-
men, wat in eene gewone Spraakleer wordt behand(»ld, omdat (;r ten
aanzien van de leer van den zin nog al verschil van opvatting bestaat-
J