Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
3i
6. Tusschen Zweden en Noorwegen.
Na een' verkwikkenden slaap en een haastig onthijt zetten
wij den anderen morgen den tocht voort. Maar thans ver-
liet ons al meer en meer de welige natuur der dalen, liet
hout werd schaarscher; de weg, die steeds hooger en hooger
voerde, leidde niet meer langs schaduwrijke denneboomen
of groene struiken, maar over een'bergrug, waar slechts van
afstand tot afstand kleine houtgroepen zich verhieven, alleen
daar waar hooge bergen de kracht van den noorden- en
westenwind lenigden. Eindelijk werden ook deze zeldzamer,
en als op de bergen, die ons omringden, was alles vlak
en met steenen bedekt. Eene frissche koelte woei om ons
en speelde met de manen van het paard en kuste de blaad-
jes der planten, die nog hier en daar tusschen het mos ont-
loken. Maar allengs zagen wij ook die plantjes niet meer;
het mos verloor zijne groene kleur, en eene grijze, onafzien-
bare vlakte strekte zich naar alle zijden uit. Tusschen dat
grijze mos rezen de reusachtige, groene siluursteenen met
hunne zwarte vlekken en soms met eene witte zijde naar
de zon gekeerd. Toen werd de wind koud, en ik voelde,
dat het die eeuwige bergwind was, die sinds de schepping
hier den wasdom doodde en het water verstijven deed. Want
zie, de westelijke en noordelijke berghellingen waren met uit-
gestrekte sneeuwvelden bedekt; de Faalefjeld en Sukuenljeld
verhieven hunne zilveren wanden in het verschiet, en wij
zeiven —• stonden plotseling voor een' afgrond, waarin de
maagdelijke sneeuw in al hare reinheid en schoonheid een
bedriegelijk bed vormde.
(Een zomer in het Noorden). GEii.\itii Kelleh.
A. Een verkwikkende slaap. Kwik (b. n. w.) beteekent vlug,
levendig, bewegelijk. Komt die beteekenis ook uit in
toitetaartje? (een zeer bekend vogeltje, ook wel wip-