Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1:21
Het is onmogelijk, van den vorm en de grootte van een
bosch eene juiste voorstelling te krijgen, als men te veel
aandacht wijdt aan de afzonderlijke boomen of als juen. in
een bosch zijnde, door het dichte geboomte verhinderd wordt,
eenen blik op het geheel te slaan ; even moeilijk gaat het
voorzeker, om b.v. van eenen tak van wetenschap een be-
hoorlijk overzicht te erlangen, wanneer men al te veel aan
de onderdeelen blijft hangen, in plaats van die in hunne
onderlinge betrekking en in hunnne verhouding tot het ge-
heel te beschouwen.
7;2. De keerzijde van de medaille.
Elke medaille heeft twee zijden: een fraaien kant, waarop,
vaak en relief (half verheven beeldwerk), eene of andere
afbeelding of inscriptie voorkomt, en een gladden kant,
waaraan alle sierlijkheid ontbreekt. Met de keerzijde van de
medaille bedoelt men in hguurlijken zin de onaangename
zijde, de schaduwzijde van eene zaak.
73. Hij is in zijne nopjes
zegt men van iemand, die recht op zijne dreef is, die zeei'
in zijnen schik is Üe noppen zijn het pluis van 't laken.
Zoolang dit nieuw is, zijn die noppen aanwezig; bij 't ver-
slijten verdwijnen ze en wordt het laken kaal. Nopjes staat
in 't spreekwoord voor nieuwe kleederen. voor feestgewaad.
Wat nu het spreekwoord: de kinderen houden hemdenoppen
van de kleeren beteekent, ligt zekei' voor de hand.
74. Zfvanezang.
't Laatste werk van eenen dichter noemt men wel zijnen
zwanezang. In de oudheid meende men, dat de zwaan,
even voor zijnen dood. een roerend lied aanhief. Deze vogel
was gewijd aan Apollo. den god der dichtkunst.