Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11()
om het leven komen. Ombrengen in den zin van berooven
hebben we nog in 't Wilhehnnslied:
"Daarom ben ik verdreven.
Om land, om hiid gebracht."
Iemand om den tuin leiden.
Tuin beteekende vroeger omheining, welke beteekenis nog
duidelijk uitkomt in "t w. w, omtuinen — omsluiten, af-
perken. («Bij 't beleg van Hagestein moest Willem VI zijne
legerplaats met eene hooge heining of tuin omgeven. Ter
gedachtenis hieraan werd het wapen van Holland, een
roode leeuw, met zoodanigen tuin omheind, afgebeeld."
Dr. Wunne). De naam tuin is later van de omheining op
het omheinde overgegaan. Iemand om de omheining leiden
en er niet binnen, beteekent: hem wel dicht bij de
zaak brengen, waar hij wezen moet. maar hem toch van hel
eigenlijke doel verwijderd houden; iemand zooveel mogelijk
buiten eene zaak houden ; om eene zaak heendraaien;
iemand misleiden.
5o. Schering en inslag.
Deze uitdrukking is ontleend aan 't weefgetouw. Schering
noemt men de loodrecht gespannen draden, tusschen welke
de spoel zich beweegt. (Scheren — spannen), 't Garen, er
met die spoel doorgeweven, heet de inslag. Schering en inslag
vormen samen het doek, het geheel. Als de eene of andere
bezigheid iemand geheel in beslag neemt, zegt men wel,
dat die bij hem schering en inslag, d. i. zijn alles is.
«Wandelen, wandelen langs hel strand, ziedaar te Sche-
veningen schering en inslag." (K.nei'I'elmolt).
oG. Toetsen.
Ten einde te onderzoeken, of eenig voorwerp uit goud
bestaat, keurt de goudsmid hel op den toetssteen; hij toetst.