Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
laten alschrikken. Men zegt ook. dat men iemand met een
kluitje in 't riet stuurt, als men van hem zoekt af te komen,
't zij door een klein gunstbewijs, 't zij door eene schoon-
schijnende belofte. Wie nu)ed, keimis en vastheid van wil
heeft, iaat zich niet met een kluitje in het riet sturen.
Men kan in letterlijken zin eenen hond met een kluitje
in 't riet sturen: de hond houdt het kluitje voor een stuk
wild en ziet dus eene nietsbeduidende zaak aan voor iets
belangrijks. Kunt gij uit deze omstandigheid de figtuulijke
beteekenis der uitdrukking aHeiden?
3o. f^an den os op den ezel springen.
In deze uitdrukking staat os voor ors. horse — paard.
(Van dat ors nog ros), liet is l)ekend. dal de ridders te
paard, doch de geestelijken op ezels reden, zoo mede. dat
menig ridder 't zij door verarming, 't zij wegens andere
omstandigheden, zijne toevlucht moest nemen lot de mon-
nikspij. Hij kon dan 't fiere strijdros niet meer beslijgen.
IJie verandering van stand duidde men aan door boven-
staande uitdrukking, waaraan we nog de beteekenis hechten
van achteruitgaan. Van hem, die vaak van plannen ver-
andert, die niet standvastig is, die van den hak op den tak
springt en daarbij achteruit gaal. zegt men ; »hij springt
van den os oj) den ezel."
Volgens sommigen zou 't woord os in de uitdrukking
slechts de gewone beteekenis hebben.
30. Jaar en dag.
Ue steden oefenden eenen nadeeligen invloed op de
macht der edelen, »doordien hel als regel gold. dat elke
lijfeigene of hoorige. die binnen eene stad zijne toevlucht
nam, vrij werd, zoo hij na jaar en dag door zijnen heer
niet was opgeëischt." (Dr. Wynne.) De oude Germanen had-