Boekgegevens
Titel: Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Boswijk, D.; Walstra, W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897 *
4e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 831 : 4e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204294
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het levende woord: stijl- en taaloefeningen vooral ten dienste van normaal- en kweekscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
laatste is gevormd van een oud vi .w. jnMseere» (Eng. to muse).
dat peinzen, verstrooid zijn beteekende. Men bezigt genoemde
uitdrukking, om iemand aan te duiden, die veel door inge-
beelde zorgen wordt gekweld, die steeds peinst over zwarig-
heden.
Volgens sommigen hebben we hier geen volksetymologie,
maar zouden we de uitdrukking te danken hebben aan de
vergelijking van allerlei dingen, die iemand door 't hoofd
wriemelen, bij door elkaar warrelende muizen.
7. Tegen wil en dank.
Iets tegen wil en dank doen beteek<;nt: iets doen tegen
zijnen wil en tegen zijne meening. Dank (van denken! staat
hier voor gedachte, meening ('t lloogd. Gedanke gedachte).
Dank als zoodanig komt nog voor'in ondanks, welk woord
dan ook letterlijk beteekent: tegen den dank. tegen de meening.
8. De plaat poetsen.
Volgens sommigen zou deze uitdrukking ontleend zijn aan
de omstandigheid, dat een vluchtend soldaat het geweer
achter zich aan laat slepen, zoodat het plaatje van de kolf
door 't aanhoudend schuren over den grond glad wordt of
a. h. w. gepoetst wordt. Daar o. i. een vluchtend .soldaat,
in stede van 't geweer op genoemde wijze mee te voeren,
het veel gemakkelijker dragen kan, komt ons bovenstaande
verklaring onjuist voor. Beter dunkt ons de volgende.
In de middeleeuwen was de haardplaat, althans bij den
aanzienlijke, een kostbaar stuk. vaak van zilver vervaardigd.
Die plaat te poet.sen was 's avonds het laatste werk van de
dienstmaagd; daarna kon ze zich ter ruste begeven. Wilde
nu de huisvrouw weten, of de meid nog bij de hand wa.s,
dan had ze enkel naar de haardplaat te zien. Was deze ue-
poetst, dan wist ze. dat de meid zich te bed had begeven,
dat ze verdwenen was. Zoo kreeg de plaat poetsen de betee-