Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
562
beelden voorwerp , dat weder eene kaarsvlam zijn kan, ook bren-
gen moge, steeds zal het beeld regt en verkleind zijn;
het schijnt achter den spiegel te staan, laat zich niet opvangen
en is steeds subjectief.
Menigmaal plaatst men in tuinen spiegelende glazen
bollen, die als bolle spiegels werken en geeft hun inwendig
of een zwart belegsel of een met een helderen metaalglans. Het
zwarte belegsel wordt uit een mengsel van roet en meelpap be-
reid of daardoor gemaakt, dat men er eene roetgevende vlam
laat inslaan. Voor het, betere, metallieke belegsel neemt men ge-
lijke gewigtsdeelen lood, tin en bismuth, smelt deze metalen in
een ijzeren lepel en schept er de graauwe laag oxyde, die zich
op de oppervlakte vertoont, met eenen lepel af; kort voor het
vast worden voegt men bij het mengsel twee derden van zijn
gewigt kwik. De te beleggen bol van wit glas, gelijk iedere glas-
winkel ze in kleinere grootten levert, moet van binnen goed
droog zijn; hij wordt, door hem in warm water te dompelen, ver-
warmd en na het invullen van het belegsel, opdat het zich over
de geheele inwendige oppervlakte verdeele, heen en jweêr ge-
schud.
316. De diffuse terugkaatsing. De meeste der ons om-
ringende ligchamen iijn niet lichtend en bezitten geen eigen
fygg licht, dat zij het oog kunnen toezenden. Maar zoo zij het oog
terug- in 't geheel geen licht toezonden, zouden zij ook in 't geheel
sing o^zi^i' worden. Daar wij ze echter waarnemen, zoo ontstaat
de vraag, hoe het komt dat zij ons lichtstralen toezenden.
Proef fl. Ter zijde van eene brandende kaars zette men bij
avond een of ander scherm, b. v. een boek, op, waarachter de
schaduw zich zal uitbreiden. De donkere ruimte zou men kun-
nen verlichten door in schuine rigting boven de kaars een
vlakken spiegel te houden. De van de vlam uitgaande stralen
zouden door den spiegel terug gekaatst worden, in de
donkere ruimte der schaduw komen en ze verlichten. In plaats