Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
544
spreekt bijna van het tegenwoordige, het sterrenlicht van het
jongste of verder verledene; het zijn tegenwoordige en lang ver-
ledene zaken, die wij te gelijk aan den hemel waarnemen.
Daar eene seconde het 60ste deel eener minuut is, zoo be-
draagt de snelheid van het licht 42,000 geogra-
phische of omstreeks 308,000 ned. mijlen in een
seconde. Zij is dus bijna een millioen maal grooter dan de
snelheid van het geluid.
vlakken.
DE TERUGKAATSING VAN HET LICHT.
307. De terugkaatsing van het licht door spiegelen-
Terug- de vlakken. Zoo lang het licht zich in eene overal even digte
^vanhef beweegt, is zijn weg eene regte lijn; maar ontmoet
licht het een ondoorschijnend ligchaam, dan wordt het daardoor ver-
sp^ge- zijnen regtlijnigen weg verder te vervolgen, en de licht-
lende stralen worden van zijne oppervlakte terug gekaatst, ge-
lijk een van den wand terug springende bal, de van den oever
terug keerende watergolven of de weergalmende geluidsgolven.
(§ 285).
Proef. Legt men een kleinen spiegel horizontaal op eene
plaats, waar hij door de zonnestralen of des avonds door het
licht eener kaars getroffen wordt, dan neemt men aan den wand
of den zolder der kamer een helderder verlicht vlak waar. De
gedaante daarvan rigt zich naar die van den spiegel en veran-
dert wanneer men een gedeelte van den spiegel bedekt. Brengt
men het oog iu eene regte lijn tusschen den spiegel en het hel-
der verlichte vlak, dan wordt het door de lichtstralen — als het
zonnestralen zijn pijnlijk — getroffen. De lichtstralen hebben dus,
nadat zij op den spiegel gevallen zijn , hunne rigting veranderd
en een nieuwen weg ingeslagen; zij zijn door het spiegelend vlak
terug gekaatst en komen thans op eene plaats, die zij anders niet