Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
543
gelijker tijd in ons oog aan. De snelheid van het licht is te groot
dan dat zij door waarneming van aardsche voorwerpen bepaald
zou kunnen worden.
De deensche sterrekundige Olaf Römer vond in het jaar
1674 de snelheid
Flg. 295. , ^ ..
® van het licht
bij de waarne-
ming der ma-
nen van Jupi-
ter. Wegens de
grootte van Jupi-
ter en den gerin-
gen afstand der
vier mannen gaan de drie naastbij zijnde bij iederen omloop
door de schaduw harer hoofdplaneet en worden verduisterd.
Daar de verduisteringen regelmatig plaats hebben, moesten wij
ze ook naauwkeurig na verloop van den zelfden tijd zien terug
keeren. Maar EÖmer vond dat men de verduisteringen steeds
later waarneemt, hoe verder de aarde zich van Jupiter ver-
wijderd heeft; dat het licht, de eenige bode van het beginnen
of ophouden der verduistering, later tot ons komt wanneer het
een verderen weg te doorloopen heeft. De verduisteringen wor-
den , wanneer de aarde ter lengte van de middellijn der aard-
baan, 42 millioen mijlen, verder van Jupiter ./ verwijderd
(in A) staat, 16 minuten later gezien, dan wanneer de aarde in a
het digst bij Jupiter staat. Het licht gebruikt dus tot
eenen weg van 42 millioen mijlen 16 minuten.
Het zonnelicht, dat de helft van dezen weg moet doorloopen,
komt daarom na 8 minnten van de zon op de aarde aan. Het
licht der naaste vaste sterren bereikt onze aarde na ruim
3 jaren, dat der meest verwijderde eerst na eeuwen. De licht-
stralen, die in een helderen nacht ons oog treffen, komen tot
ons als boden, die op zeer verschillende tijden vertrokken zijn
en ons uit verschillende tijden berigten brengen; het maanlicht