Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
537
vormige papieren schijf zoodanig, dat de zonnestralen het
breede vlak regthoekig treifen ; de schaduw der schijf worde op
een stuk wit papier opgevangen en zal zich cirkelvormig
vertoonen. Men doe nu de schijf hellen en geve haar ach-
tervolgens andere standen, om de veranderingen, die er met de
gedaante der schaduw plaats hebben, waar te nemen. Is de schijf
eindelijk in zulk een stand gekomen, dat hare breede opper-
vlakte de zelfde rigting heeft als de zonnestralen, dan zal de
schaduw zich als eene regte 1 ij n vertoonen. Slechts een b o 1
werpt in iederen stand op een met de lichtstralen loodregt vlak
eene cirkelvormige schaduw.
Is het licht gevende ligchaam g r o o t e r dan het
schaduw werpende, dan wordt de kernschaduw op grooteren
afstand achter het laatste steeds kleiner. Is daarentegen het
licht-gevende ligchaam het kleinste, dan neemt die schaduw
met den afstand in grootte toe en zou zonder einde zijn, zoo
niet ook de haar begrenzende lichtstralen met den afstand van
de lichtbron steeds zwakker werden, zoodat zij zich van de scha-
duw niet meer laten onderscheiden.
303. De lengte der schaduw. De dagelijksche waarne- Lengte
ming leert, dat de schaduw van eenen toren of boom bij zons- j^Jj^Jq^
opgang zeer lang is; zij neemt af hoe hooger de zon klimt, en
groeit des namiddags weder des te meer aan hoe lager de zon
daalt. De lengte der schaduw van regtop staande ligchamen
op een liggend vlak is derhalve van den stand der zon
a fhan k elij k.
Uit de lengte der schaduw laat zich de hoogte vart een
op vlakken grond regtop staand voorwerp, b. v. een
toren, vinden. Men rigt ter zijde van de schaduw des torens een
loodregte lat of paal op, die zich b. v. 3 ellen boven den grond
verheft. Daarop meet men de lengte der door den toren ge-
worpene kernschaduw van haar uiteinde tot aan een punt, dat
juist loodregt onder de spits van den toren ligt; deze lengte
35«