Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
535
300. Het ontstaan der schaduw. Wanneer men op een Schaduw,
door de zon beschenen vlak een ondoorschijnend ligchaam, bij
voorbeeld eene houten kist, plaatst, dan zullen de zonnestralen,
omdat hun de doorgang niet mogelijk en de regtlijnige weg
versperd is, niet in de daarachter zich bevindende ruimte kun-
nen geraken; het licht wordt van haar terug gehouden, en zij
moet zich donker vertoonen. De onverlichte ruimte
achter een verlicht ondoorschijnend ligchaam
noemen wij schaduw.
Proef. Men houde een bol in de zonnestralen en vange de Kern-
schaduw met een loodregt gehouden papier niet ver achter den
bol op. Er zal zich in het midden der schaduw een volkomen schaduw,
donker cirkelvlak vertoonen, de kernschaduw, welke in 't
geheel geen licht ontvangt, en rondom ontstaat eene minder
donkere schaduw, de h a If s ch adu w, de ruimte die de kern-
schaduw omringt en die slechts van weinige punten van het
lichtende ligchaam licht ontvangt.
Laat van een grooten lichtenden bol stralen op een kleineren
vallen. De uiterste stralen,
die van de randen van
den grooten bol uitgaan
en langs den kleineren
heenglijden, zijn a c en
b f; in de ruimte, tusschen
deze stralen achter den
kleinen bol liggende,
dringt van het lichtgevende ligchaam geen lichtstraal door;
deze ruimte is de kernschaduw en heeft een kegelvormige
gedaante. De halfschaduw ligt om de kernschaduw; van
den bovensten rand a van den lichtenden bol gaat nog een straal
a d langs den ondersten rand van den kleinen bol voorbij, en van
den ondersten rand van den grooten bol gaat een straal b e langs
den bovensten rand van den kleinen bol voorbij. Deze stralen
zijn de grenzen der halfschaduw. Want lichtstralen, wier rig-
cr. nat. 35