Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
527
tegen de tongen uitoefenen, des te korter wordt het vrij be-
weegbare stuk der tongen en tevens des te enger de ruimte,
door welke de ingeblazene luchtstroom moet dringen; hij be-
weegt zich daarom met grooter snelheid en breegt een hoogeren
toon voort.
295. Het stemorgaan van den mensch.. Het stemorgaan
van den mensch heeft groote overeenkomst met eene tongpijp;
zijne gevvigtigste deelen zijn de luchtpijp , het strottenhoofd en
de stem vliezen. Het strottenhoofd is het bovenste beweeg-
bare deel der luchtpijp; daarin bevinden zich naast elkander
twee veerkrachtige weefsels, de stemspleetbanden, welke
bij het ademhalen genoegzaam van elkander verwijderd zijn om
de lucht ongehinderd door te laten. Worden echter die stemban-
den sterker gespannen en digter bij elkander gebragt, dan ge-
raken zij bij het doordringen der lucht in trillende beweging en
deelen deze aan de lucht mede, die in het strottenhoofd en in
de mondholte ingesloten is. De hoogte van den toon hangt van
de spanning en de grootte der stembanden af; tot bepaalde
spraakgeluiden worden de toonen echter eerst door de menig-
vuldige bewegingen der tong, tanden en lippen gevormd 1).
HET LICHT.
296. Lichtgevende ligchamen. De meeste ligchamen zijn Nichten-
op zich zeiven donker en dus niet in staat, de hen omgevende de lig-
ruimte te verlichten. Daarentegen zijn er ook ligchamen, die
1) Voor eene meer in bijzonderlieden tredende beschrijving van
de organen des gehoors en van de stem, zie lubach, eerste grond-
beginselen der natuurkunde van den mensch. Gouda, J. B. van
Goor 1855. Lu.