Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
526
Om het instrument lager te stemmen wordt een langer middel-
stuk ingezet.
De instrumenten der tweede groep hebben een naar bui-
ten zich ketelvormig verwijdend mondstuk; daartegen leggen
zich de lippen van den muzikant, verkrijgen eene grootere
veerkracht en geraken iu trillingen, bij welke verdigte en
verdunde hoeveelheden lucht in het instrument treden. Door de
verwijdingen aan het andere einde wordt de klank sterker. De
windingen hebben ten doel, de toongevende luchtkolom lan-
ger te maken , zonder aan het instrument eene ongemakkelijke
grootte te geven. De verschillende toonen worden op twee wij-
zen voortgebragt: door de verschillende sterkte van het aanbla-
zen en door het stoppen, het inbrengen der hand in de trech-
tervormige opening, hetgeen voornamelijk bij den waldhoorn
geschiedt; in de bazuin laat zich bovendien door uittrekken of
inschuiven der stangen de luchtkolom verlengen of verkorten.
De instrumenten der d e r d e g r o e p bevatten een veerkrach-
tig plaatje van metaal of riet, de tong, die door aanblazen
tot het geven van toonen gebragt wordt. In de tongwerken
van het orgel, gelijk in de daarmede eenige overeenkomst heb-
bende mondharmonica en de kleine trompetten, die tot speel-
tuig voor kinderen dienen, geraakt de metalen tong bij het aan-
blazen in trillingen en sluit en opent daarbij afwisselend eene
opening; daardoor worden in de luchtkolom, wier lengte bij
den toon der tong moet passen, afwisselende verdigtingen en
verdunningen voortgebragt. Bij de klarinet is de tong van
riet en met haar eene einde aan een wigvormig mondstuk ge-
bonden; bij de hobo en de fagot liggen twee tongen, ge-
gevormd als de helften van een kegel, die van boven naar bene-
den doorgesneden is, met de uitgeholde zijden naast elkander
en worden bij het bespelen der instrumenten door de mond-
holte omsloten. Daarbij zijn de tongen minder bevestigd dan
bij de mondpijpen van het orgel en hebben daarom geen bepaal-
den toon. Hoe sterkere drukking de lippen van den muzikant