Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
525
menten.
Fig. 286. der uit en verdunt zich; zij wordt we-
der door het aanblazen verdigt en slingert
zoo in de lengte op en neder. De luchttril-
lingen zijn lengtetrillingen of ,lon-
gitudinale trillingen. Terwijl in eene
gedekte pijp de luchtkolom zich als een ge-
heel beweegt, verdeelt zij zich in opene pij-
pen in twee deelen, eene bovenste en eene on-
derste, tusschen welke eene rustplaats ligt.
Een smalle luchtstroom wordt door de De ver-
scherpe bovenlip aan het mondgat
het instrument voortgebragt; snel op elkan- instru-
der volgende verdigtingen en verdunningen
der lucht kunnen, gelijk aan de sirene 288),
insgelijks eenen toon te voorschijn brengen
en laten zich door menschelijke lippen met
behulp van een mondstuk of door eene
veerkrachtige tong opwekken. Diens-
volgens zijn er drie groepen van blaasinstru-
menten.
Eerste groep: blaasinstrumenten met een
mondgat: dwarsfluit, signaalfluit en
de lippijpen van het orgel.
Tweede groep: blaasinstrumenten met een ketelmond-
stuk : waldhoorn, trompet, bazuin.
Derde groep: blaasinstrumenten met eene veerkrachtige
tong: klarinet, hobo, fagot en de tongwerken van het
orgel.
Eerste groep. De dwarsfluit heeft geene lippen, maar
een mondgat met scherpe randen, waaraan de uit den mond
van den speler komende lucht zich splijt; zij geeft den laagsten
toon wanneer alle vingergaten gesloten zijn, den hoogsten wan-
neer de opening het digste bij het mondgat open is; telken male
reikt de trillende luchtkolom tot aan het eerste opene vingergat.