Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
524
Proef Nadat mea de glazen buis weder opgezet heeft.
Sterkte blaze men eerst zwak, dan sterker en nog sterker. Daardoor
aanblazen.^®'^'^' de luchtkolom sneller bewogen en verkrijgt men een groo-
ter trillingsgetal. Men zal behalve den gewonen toon nog twee
toonen voortbrengen, die des te hooger zijn hoe sterker er ge-
blazen wordt. De toonhoogte eener pijp hangt daarom ten tweede
van de sterkte van het aanblazen af; bij de zelfde
sterkte van het aanblazen geeft zij weder den zelfden toon.
Proef e. Gedurende het blazen bedekke men de vrije
Stoppen opening der pijp gedeeltelijk met eenen vinger. Men verneemt
l^sr een lageren toon, dan de opene buis bij matig aanblazen
pijpen. ^^^^ gedeeltelijk sluiten van een blaasinstrument aan zijn
einde, om lagere toonen te verkrijgen, noemt men het s t o p-
p e n van het instrument. — Onder de orgelpijpen zijn er, wier
boveneinde geheel gesloten is; zij heeten gedekte p ij pen
en geven eenen toon, die een octaaf lageris dan
even zoo lange opene pijpen.
Door welk middel wordt eene luchtkolom in de gewone
fluit, die bijna slechts nog als signaalfiuit in gebruik is, en
inde li pp ij pen van het orgel (fig. 286) in toontilling ge-
bragt? Bij de signaalfiuit (fig. 285) wordt aan het eene einde O
met den mond een luchtstroom ingeblazen, treft bij de insnede,
het mondgat, op het afgescherpte ligchaam L , hetwelk de
bovenlip heet, terwijl de daartegen overstaande rand van
het mondgat de benedenlip genoemd wordt. Aan de bovenlip
wordt de luchtstroom gespleten, en slechts eene smalle stroo-
ming beweegt zich nabij den bovensten rand. Het zelfde geschiedt
in de orgelpijpen, waar de lucht bij O intreedt, zich bij de bo-
venlip L splijt en digt bij den voorsten wand door de pijp stroomt.
De ingeblazene smalle luchtstroom wrijft zich aan de
luchtkolom der pijp, gelijk een strijkstok aan de snaar, doch i n
de lengte; hij trekt de luchtkolom naar boven (fig. 286 I)en
verdigt ze onder den bovensteri bodem; door deze verdigting wint
de lucht in spankracht, breidt zich, naar beneden gaande, we-