Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
520
snelt weder terug. Daar ieder strijkinstrument slechts vier sna-
ren heeft, zoo moeten de overige toonen door grijpen met de
vingers gemaakt worden; waar de vinger eene snaar op het tast-
bord nederdrukt, daar heeft telken male de klinkende snaar haar
einde. Neemt men eene viool en drukt eene snaar naauvvkeurig
in haar midden neder, zoodat eene half zoo lange snaar trilt,
dan hoort men de octaaf van den toon, die de geheele snaar aan-
geeft. Volgens § 289 maakt de octaaf tweemaal zoo veel trillin-
gen ; bij gevolg heeft de helft eener snaar naauwkeurig het dub-
bele trillingsgetal. Wordt de snaar door grijpen met den vin-
ger zoodanig verkort, dat twee derde deelen er van trillen,
dan geeft zij de quint tot den grondtoon, die de geheele snaar
aangeeft; een derde van de lengte der snaar heeft een driemaal
zoo groot, twee derden een % maal zoo groot trillingsgetal.
Gelijk daarom in het volgende overzigt de bovenste rij getallen
volgens § 289 de trillingsgetallen aangeeft, zoo bevat de daar-
onder staande de daarbij trillende lengten der snaren, welke de
omgekeerde breuken der trillingsgetallen zijn.
C D E F G A H c
Trillingsgetallen. 1 % % Yg % y, 2
Lengten der snaren. 1 % % y,
293. De vlakte-instrumenten. Terwijl het aan de snaar-
Vlakte- instrumenten trillende lijnen zijn, welke den toon verwekken,
^e^nten bij eene tweede soort van toonwerktuigen tot het voort-
brengen van den toon vlakken, die door aanslag in trillingen
gebragt worden. Als vlakte-instrumenten zijn te noemen:
trom en pauken, bekkens en klokken.
Het vlies, het gespannen dieren vel, waarmede de eerste
dezer instrumenten overtrokken zijn, beweegt zich in transver-
sale trillingen als een ongedeeld geheel. Van twee bij elkander
behoorende pauken geeft de kleinere, als eene kortere snaar,
den hoogeren toon en wel c, wanneer de grootere G laat hoo-
ren ; het stemmen geschiedt door geringer of sterker aanspan-
nen. De trom toont eene veelvuldige aanwending van het me-