Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
517
trillingen en de toon verhoogd. De toon eener snaar is des
te hooger, hoe sterker zij gespannen is. Bij het
stemmen van een instrument worden de snaren met be-
hulp der schroeven sterker gespannen wanneer haar toon te
laag is.
Proef fi?. Wordt de geheele draad in trilling en dus tot Lengte
toongeven gebragt, dan geeft hij bij de zelfde spanning ook steeds s^aar.
den zelfden toon. Nu plaatse men echter den stoel midden on-
der den draad, drukke dezen bij onveranderde spanning op de
leuning van den stoel neder en late het stuk van den draad
tusschen zijn bevestigingspunt en den stoel trillen. De toon zal
veel hooger zijn. Er klinkt slechts een stuk van den gespannen
draad of een kortere draad, en het is gemakkelijk te vinden,
dat de toon steeds des te hooger zal zijn, hoe korter de
snaar is.
*Bij alle deze proeven, voornamelijk bij proef h, zal men beter
doen, de snaar of snaren vast te maken aan een plankje van
geschikte lengte of op een tafelblad, haar aan het andere
einde over een kantig staafje te leiden, zoo als fig. 382 dit
aantoont, en dan dit einde met gewigten te bezwaren. Men
heeft dan de spanning geheel in zijne magt, hetgeen zeker noo-
dig is om een goed bewijs te leveren voor de
Wet: De toon eener snaar is des te hooger,
hoe dunner, hoe sterker gespannen
en hoe korter zij is.
291. De mededeeling dér toontrillingen.
Proef a. Men houde een horologie eerst in de hand en pe re-
legge het vervolgens op de tafel. Zijn tikken wordt thans, nu sonnans.
het met het hout in aanraking is, op den zelfden afstand veel
sterker gehoord.
Proef b. Een draad, van zes a zeven palm lang, wiens
einden vast om papier gewikkeld zijn , houde men vrij tusscheii
beide handen gespannen en brenge hem daarbij door aantrekken