Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
515
ede f ga
h c
128 144 160 1702/3 192 213'/3 240 256.
^-r-rn
—1
Deze trillingsgetallen geven de volkomen zuivere toonen in
den toonaard, die van C als grondtoon uitgaat. Daar het echter
een vereischte, dat men ook in andere toonaarden kan spelen,
zoo moeten de toonen binnen eene octaaf gezamenlijk afwijkin-
gen van hunne oorspronkelijke trillingsgetallen ondergaan, die
zoo gering zijn, dat zij voor het oor niet merkbaar zijn. Zoo
moet, gelijk g de quint voor c is, ook a de quint voor den
grondtoon d zijn en trillingen maken, terwijl d eene trilling
voltooit, d heeft het trillingsgetal 144, a moest daarom als
quint van d V2 tJ^ 144 = 216 trillingen maken, terwijl zij
als sexte van c slechts het trillingsgetal 213heeft. Dit on-
derscheid moet bij het stemmen voorzigtig over de afzonderlijke
toonen verdeeld worden, terwijl daarentegen alle octaven vol-
komen zuiver gehouden moeten worden.
/X
290. Toongevende snaren.
Proef a. Ter beantwoording der vraag, hoe eene toon-
gevende snaar trilt, kan men zich van eenen draad bedienen,
die op de zelfde wijze zich beweegt. Men neemt een garen draad,
2 ä 3 ellen lang, bindt zijn eene einde aan eene deurklink en
wikkelt zijn andere einde,
Fis. 281.
om het gemakkelijk in de
hand te kunnen houden
en spannen, om een za-
mengevouw^en stuk papier.
Het einde drukt men digt
bij de hand op de leuning van een er onder geplaatsten stoel
ir
>
Toonge-
vende
snaren.
Hare
trillin-
gen zijn
trans-
versale
trillin-
gen.