Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
761
kasten worden met een slechten warmtegeleider gevuld,
stoombuizen of stoomketels met eenen mantel omringd, en
de ruimte tusschen beide met kolenpoeder of asch aangevuld.
Boomen en putten worden door bedekkingen van stroo tegen
de vorst bewaard; broeikasten bedekt men met stroomatten
wanneer het koud is geworden,en kelderopeningen wor-
den in den winter met stroo of mest gesloten. De sneeuw
met de in hare tusschenruimten bevatte lucht houdt in het zaai-
koren eene toereikende hoeveelheid warmte terug; bevrozen
menschen, bij wier redding het van belang is, hen niet da-
delijk aan eene te hooge temperatuur bloot te stellen, bedekt
men met sneeuw en laat hen zoo langzaam warmer worden.
Maar gelijk door slechte warmtegeleiders het verliezen der Afkee-
voorhandene warmte verhinderd wordt, zoo beschutten zij ook i"®"
warmte.
tegen het indringen van nieuwe warmte. Zoo houden de h ou-
ten handvatsels aan metalen vaten en strijkijzers de hitte
van de hand af; de door zwaren arbeid hard en hoornachtig
gewordene huid der handen is eeu zoo slechte warmtegeleider,
dat de smeden er gloeijende kolen op dragen; een ondergelegd
stuk papier laat de warmte van de kagchel langzaam tot
een daarop geplaatst glas overgaan en beschut het tegen sprin-
gen ; ijskelders omringt men om ze te beschutten tegen de
zomerwarmte met stroo of met eene laag kolen of asch. De ge-
heele bovenste laag van den grond is een slechte warmtege-
leider, opdat zij in den zomer de wortels der planten voor het
indringen der warmte en het verdorSen beveilige, maar in den
winter ze voor het verliezen der warmte en het bevriezen be-
ware. *
II. DE VERBREIDING DER WARMTE DOOR STRALING.
402. ITitstraling van warmte. Terwijl de warmte zich Warmte-
door geleiding verbreidt, deelt ieder ligchaamsdeeltje aan het straling.
49*