Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
759
lagen van het water raakt, dan zullen zij beginnen te koken, Warmte-
maar de onderste lagen van het water zullen koud blijven, en
de hand zal geene merkbare vermeerdering van warmte gevoelen. drup-
De proef laat zieh met den zelfden uitslag met de andere y^og^gfe
drupvormig vloeibare ligchamen nemen. Gevolgelijk behoo- ligcha-
ren, met uitzondering van het metallieke kwik, de drup-
vormige vloeistoifen tot de slechte warmtege-
leiders.
Proeft. Om het warmtegeleidingsvermogen van lucht-Warmte-
vormige ligchamen te onderzoeken, houde men het gesloten
einde eener reageerbuis, die dampkringslucht bevat, in schuine lucht-
rigting boven de spirituslamp en sluite de naar beneden
keerde opening ten deele met den vinger. De lucht, die den men.
vinger aanraakt, zal geene verhooging van temperatuur vertoo-
nen, en daaruit kan men besluiten, dat ook de luchtvor-
mige ligchamen slechte warmtegeleiders zijn.
Nogtans verbreidt zich de warmte in het water en in de Verbrei-
lucht, wanneer hunne benedenste lagen verwarmd worden, ding der
weldra ten gevolge der in hen plaats hebbende stroomingen tenge-
(§ 365—866), waarbij de koudere lagen naar de warmtebron *oIge der
toestroomen totdat ook zij verwarmd zijn. Bij w in d e rig „jj^gg^^
weder gevoelen wij eene grootere koude dan op een wind-
stillen dag, omdat de deelen der lucht ons sneller voorbij trek-
ken en ieder ons aanrakend deeltje aan het ligchaam een wei-
nig warmte ontneemt. Zoo doet ook de beweging van een
w a a ij e r de lucht snel langs het gezigt voorbij gaan; daar zij
kouder is, onttrekt zij het bij iedere wuiving een weinig warmte.
Bovendien werkt de door den luchtstroom versnelde verdamping
(§ 380) van het vocht, dat steeds op de oppervlakte der huid
voorhanden is, mede tot die verkoeling. Het heete water koelt
zich eerst aan de oppervlakte af, waar het met de lucht in
aanraking is en de verdamping plaats heeft (§ 365), en zinkt
dan; warmere deeltjes stijgen op, koelen zich ook af en zinken
insgelijks. Deze stroomingen bij het afkoelen eener vloeistof zijn
ck. nat. 49