Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
497
eene ingeslotene luchtlaag over, wordt in deze door de oneffen-
heden der haar omsluitende vaste deelen gestoord en komt zeer
verzwakt tot de tweede vaste laag; deze storing en verzwakking
herhaalt zich bij iederen volgenden overgang tot eene nieuwe
laag en kan het volkomen ophouden der golfbeweging ten ge-
volge hebben.
283. De sterkte van het geluid. De sterkte van het sterkte
door ons waargenomen geluid hangt niet enkel af van de ge- het
steldheid des ligchaams, dat het tot het oor geleidt, en van
de lengte van den daarin te doorloopen weg, maar ook va'n
de sterkte der geluid verwekkende trilling.
Een op grooten afstand afgeschoten pistool wordt veel zwak- ^f^g.
ker gehoord dan een in de nabijheid; de menschelijke stem wordt men van
slechts op een geringen afstand duidelijk gehoord. De sterkte des'^'^
van het geluid is dus des te grooter, hoe korter de weg is, dien geluids
het in het geleidende ligchaam doorloopen moet, of h o e k o r- ^'"'tf™""
ter de geleiding is. De om een punt opgewekte water, lengte
golven zien wij, hoe verder zij er zich van verwijderen, des te j"jing"
onbeduidender worden, en eindelijk zoo zeer vervloeijen, dat zij
niet meer waar te nemen zijn. De kogelvormige luchtgolven,
opgewekt om de plaats waar een geluid ontstaat, bewerken op
grooteren afstand eene steeds geringere verdigting en verdun-
ning der lucht, tot eindelijk de geluidsgolf geheel vervloeit en
niet meer in staat is, de naastliggende luehtdeeltjes in merk-
baren graad te bewegen.
Maar ook de trilling, door welke het geluid wordt voort- „ ,
. Zwak
gebragt, kan eene zoo geringe sterkte hebben en zoo weinig geluid
uitwerken, dat het geluid zich slechts flaauw laat hooren. De
sterkte der trillingen neemt zoo wel toemetdegrootte der trilling,
trillende massa als met den door hare deeltjes bij elke tril-
ling doorloopen weg (§16). Een lange zweep klapt sterker dan
een korte — er trilt bij de eerste een grootere massa en er wordt
eene grootere hoeveelheid Incht bewogen; het geluid eener groote