Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
719
en de lucht trekt er voorbij, zonder dat zij tot het dauwpunt B'j win-
verkoeld kan worden. - wed«
Terwijl de dauw door verdigting van den waterdamp des damp- dauwt
krings aan de vaste ligchamen der aardoppervlakte ontstaat, die
door de nachtelijke warmtestraling tot het dauwpunt afgekoeld
zijn, vertoont zich de rijp bij hunne afkoeling bene-De rijp.
den het vriespunt. De rijp is bevrozen dauw en bestaat
uit fijne ijsnaalden; hij vertoont zich daarom aan de voorwer-
pen , die door straling het koudst zijn geworden, en zet zich
niet aan zulke planten, die in den laten herfst misschien
nog door met loof bedekte boomtakken overschaduwd worden.
385. Nevel en wolken. Nevel en wolken ontstaan wan-
neer opstijgende waterdampen in kondere luchtlagen aankomen.
Wij nemen de nevelvorming in het klein boven ieder vat
met heet water waar; de daaruit opstijgende damp komt
in koudere lucht, wordt in de lucht zelve en zonder aanraking
met een vast ligchaam half verdigt en zigtbaar.
In het groot vormt zich de nevel (of mist) bij voorkeur op
herfstavonden, boven rivieren of meren of boven den vochtigen
grond. Uit het water, dat langer warm blijft, stijgen wegens zijne
hoogere temperatuur nog altijd dampen op; maar de koudere
dampkring is niet in staat, ze in hunne onzigtbare dampge-
daante op te nemen en te bergen. Zij beginnen zich te verdig-
ten en vertoonen zich in den overgangsvorm van holle water-
blaasjes , wier omvang buitengewoon klein is. Op de zeepbellen
gelijkende, met lucht gevuld en door een fijnen watersluijer om-
huld, worden de waterblaasjes van den nevel eene poos door
den dampkring gedragen en zinken dan neder. Vallen zij op
wärmeren grond of water, dan stijgen zij andermaal als damp
en nevel op. De aanhoudende verschijning van den nevel heeft
daarom haar bestaan te danken aan eene afwisseling van vergaan
en weder ontstaan.
Wolken zijn niets anders dan nevels in hoogere luchtlagen, 'Wolken.