Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
593
de oorspronkelijk verdigte luchtmassa, die zich sterk uitgezet
heeft, zich weder zamentrekt, ontstaat om deze eene ruimte
metverdundelucht; de naburige luchtlaag, die zich voor-
waarts bewogen heeft, keert daarin terug, maar bewerkt naast
zich weder eene verdunning der lucht; in deze keert de volgende
luchtlaag terug en maakt weder, terwijl zij hare plaats verlaat,
deze tot eene plaats waarin de lucht verdund is; zoo gaat
derhalve na de verdigting der lucht hare verdunning voort.
Gelijk golfberg en golfdal, zoo volgen hier verdigting en ver-
dunning der lucht elkander op; de daardoor veroorzaakte heen-
en weêrgaande schommeling of de voortgaande geluidgolf
komt eindelijk in ons oor aan en brengt de inwendige deelen
daarvan in trillende beweging.
*Men begrijpt dat deze opwekking van trillende beweging
in de lucht door een trillend ligchaam alleen dan kan plaats
hebben,als de beweging van dit ligchaam snel genoeg
is. Beweegt men b.v. de hand door de lucht, ook met de groot-
ste snelheid, welke onze spieren daaraan kunnen geven, dan
wordt daardoor geen voor ons oor waarneembaar geluid veroor-
zaakt; maar men voelt ook hoe de door de hand van voren
weggestooten lucht daar langs en daarom heen glijdt, om de
daarachter ontstaande ruimte te bereiken. Geschiedde de be-
weging met zulk eene snelheid, dat de lucht daartoe geen tijd
had, dan zou er vóór de hand eene verdigting en daarachter
eene verdunning der lucht plaats grijpen, en dus geluid ontstaan.
Het gehoororgaan van den mensch heeft eene kunstige jjgj gg.
inrigting. Het uitwendige oor of de oorschelp is zoo ge- hoor-
orgaan.
bouwd, dat het de geluidsgolven in groote menigte vermag op
te vangen. Van het uitwendige oor leidt de gehoorgang
eenigzins naar boven in het hoofd en is aan zijn einde door
het trommelvlies gesloten. Hierachter bevindt zich eene
holte, de t romm elho 11 e , met eene keten van vier kleine
beentjes, welke het trommelvlies met het labyrinth of den dool-
hof verbinden. De doolhof is de binnenste holte van het oor