Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
714
Het
dauw-
punt.
daar zij bij hooger warmte meer dampen kan opnemen, tame-
lijk droog. Wordt eene met vocht verzadigde luchtmassa slechts
weinig afgekoeld, dan kan bij hare geringere warmte de vroe-
gere hoeveelheid damp niet blijven, maar een gedeelte daarvan
wordt als dauw of regen drupvormig vloeibaar. Intusschen is de
lucht gewoonlijk niet verzadigdj maar zij zou het bij on-
veranderde hoeveelheid des waterdamps zijn indien zij kouder
ware. Nu laat zich de warmtegraad vinden, bij welken voor de
heerschende vochtigheid der lucht eene verzadiging der lucht
plaats zou hebben.
Proef. In een drinkglas giete men een weinig wiiter, dat
reeds een tijd lang gestaan en de temperatuur der lucht aange-
nomen heeft. Daarbij voege men van tijd tot tijd frisch, kouder
bronwater, of beter nog fijn gestooten ijs of sneeuw, bij kleine
hoeveelheden te gelijk, zette er een thermometer in en roere het
daarmede om. Te gelijk met het water wordt de lucht-en damp-
laag, die het glas omgeeft, kouder. Gaat men met het bijvoegen
van koud water of ijs voort, dan ontstaat er een oogenblik, waar-
in de buitenzijde van het glas met een fijnen
dauw beslaat. Dan ziet men na, hoe
veel graden de thermometer, in de vloeistof
gedompeld, aanwijst. Voor de door hem aan-
gewezene temperatuur is de lucht met den
voorhanden waterdamp verzadigd; want een
gedeelte daarvan begint als dauw drupvor-
mig vloeibaar te worden. De temperatuur, ■
bij welke de in de lucht voorhandene water-
damp zich begint te verdigten, of voor welke
de lucht met den voorhanden waterdamp juist verzadigd is, heet
het dauwpunt. Ligt het dauwpunt veel lager dan de tempe-
ratuur der lucht, dan kan men tot helder weder besluiten. Heeft
bij eene luchtwarmte van 16 graden het beslaan van het glas
bij 10 graden plaats, dan bevat de dampkring slechts zoo veel
dampen, dat zij bij 10 graden warmte er mede verzadigd zou
Fig. 415.