Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
678
Het In de rivieren worden door de sterke strooming de waterlagen
grondijs, voortdurend onder elkander gemengd en de geheele watermassa
tot het vriespunt afgekoeld. De ijsvorming, die steeds van vaste
punten af haren aanvang neemt, begint alsdan aan de oevers,
aan rotsen, palen en op den grond der rivier, waar de
strooming zwakker is. De op den grond ontstaande ijsschotsen
worden, hoe grooter zij geworden zijn, wegens haar geringer
specifiek gewigt gedurig sterker door het water opgeheven, ein-
delijk losgerukt en naar boven op de oppervlakte gevoerd. Men
zegt dat de stroom g r o n d ij s aanvoert. Door aanhangende
steenen en aarde verraadt het de plaats van zijn ontstaan , door
zijne ophooping verhindert het de strooming, de tusschenplaat-
sen tusschen de schotsen aan de oppervlakte vriezen toe en er
vormt zich een zamenhangende ijskorst, die voor het verdere
indringen der vorst een hinderpaal wordt.
water.
II. STROOMING IN WATER EN LUCHT.
365. De omloop van het water en de waterverwar-
ming.
Proef. In eene niet te kleine kookflesch worde water, waar-
Omloop zemelen of fijn gestampt zegellak gestrooid heeft, boven
van het de spirituslamp verwarmd. De kookflesch houde men van boven
met de hand en brenge het midden van haren bodem al digter
en digter bij de vlam. Beschouwt men daarbij het water naauw-
keurig, dan neemt men eene beweging van het poeder waar,
dat raet het water regt boven de lamp opstijgt en zich aan de
zijden naar beneden beweegt. De warmer en ligter gewor-
dene deeltjes der vloeistof stijgen dus omhoog, de koudereen
zwaardere gaan naar beneden, en daardoor wordt eene kring-
vormige beweging of circulatie der vloeistof bewerkt,
welke de verwarming der gansche watermassa te weeg brengt
wanneer het vuur er onder is aangebragt.
Gebruikt men slechts eene kleine kookflesch of eene reageer-