Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
677
«it elkaar gerukt; straatplaveisels, onder welke water
gedrongen is, worden door de vorst opgeheven; boo men bar-
sten wanneer in zeer strenge winters hun sap verstijft, en
«en vaste leemen vloer wordt door de uitzetting van het
daarin bevatte water bij het bevriezen los gemaakt. Wegens deze
uitzetting is ij s ligter dan water en d r ij f t op de oppervlakte-
De kennis dezer uitzondering van de algemeene wet der uit- Belang-
zetting vergunt ons een blik te slaan in de diepe wijsheid, met ^ezer^nit-
welke in de wereld der aardsche ligchamen niet slechts hare wet- zonde-
ten, maar ook de uitzonderingen op die wetten geregeld zijn.
Onze wateren koelen zich bij den invallenden winter hoofdzake-
lijk aan de oppervlakte af, die door koude luchtstroomingen
wordt aangeraakt. In stilstaande wateren, vijvers en me-
ren zinkt dan de bovenste, afgekoelde en zwaarder gewordene
waterlaag naar den grond. Warmer water stijgt in hare plaats
omhoog, wordt eveneens afgekoeld en zinkt weer naar beneden.
Dit rijzen en dalen van het water zou voortduren, indien het
water door de koude steeds digter en zwaarder werd, en wei-
nige koude dagen zouden toereikend zijn om onze wateren tot
den grond toe in ijs te veranderen. Zeeën en meren zouden in
een enkelen winter tot massief ijs verstijven, en zelfs de sterkste
zonnehitte zou niet in staat zijn, om de geweldige ijsmassa's we-
der te doen smelten. De gematigde aardgordels zouden wegens
hun siberisch klimaat naauwelijks bewoonbaar blijven, en het le-
ven der aarde zich tot een smallen gordel aan beide zijden van den
equator beperken. Zoo als 't nu is houdt echter bij uitzondering
de zamentrekking van het water, en daarom ook zijn omloop
(zijn rijzen en dalen) op zoodra zijne temperatuur tot -[- 3°
E. gedaald is. Heeft de geheele watervlakte nog slechts 3° warm.
te, dan heeft zij de grootste digtheid; de bovenstaande waterlaag
wordt door verdere afkoeling ligter, blijft boven zweven en be-
vriest eindelijk tot ijs. Maar de ijskorst verhindert het indringen
der koude in de lagere waterlagen.
Anders geschiedt de ijsvorming in stroomende wateren.