Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
663
draad ook den hangenden koperdraad naar de regter zijde. De
hangende koperdraad is een eenarmige hefboom; van zijn
ophangspunt tot aan het aangrijpingspunt van den draad is een
arm van 1 duim lengte, maar tot aan het ondereinde van den
koperdraad ten minste van 30 duimen. Het ondereinde maakt
derhalve een ten minste 30 maal zoo grooten weg als het aan-
grijpingspunt van den draad en vertoont aan het oog de plaats
gehad hebbende uitzetting van den koperdraad duidelijk en in
vergroote mate. Bij de afkoeling gaat de hefboom tot aan het
punt boven de punt der naald terug, waar hij oorspronkelijk
stond; het regter einde van den sterkeren koperdraad heeft zich
dan naar de linker zijde bewogen, en de draad heeft zich
bij het bekoelen weder zam engetrokken. De proef
toont dat een vast ligchaam door warmte wordt uitgezet, maar
zich bij het koud worden weder zamentrekt. Mogt misschien
bij het verwarmen van den koperdraad de hefboom zich, in plaats
van naar de regter, naar de linker zijde bewegen, dan is dit een
teeken, dat de koperdraad te dun gekozen is en zich gekromd heeft.
Verwante verschijnselen: Een pot, die zich koud Verwan-
juist door eene ovendeur liet schuiven, laat zich, wanneer hij te ver-
heet is geworden, er niet weder uittrekken, omdat hij door de
warmte uitgezet is; strijkijzerbouten vullen, wanneer zij
rood gloeijend zijn, hunne strijkijzers bijna geheel op, terwijl zij
te voren meer speelruimte hadden en zich daarin heen en weer
lieten schudden ; een metalen bol, die juist door een ring
gaat, wordt door sterke verwarming zoo zeer uitgezet, dat hij
er niet meer doorheen gaat. Een ijzeren rad band daarente-
gen, die gloeijend om een rad gelegd wordt, trekt zich bij het
koud worden zamen en sluit daar vast om heen; gegoten
metaalstukken vullen na koud geworden te zijn hunnen
vorm niet meer geheel, en spijkers, die heet in het nagelij-
zer geslagen zijn, laten zich, wanneer hunne warmte afgenomen
heeft, gemakkelijk er uit nemen. IJzeren sporen op spoor-
wegen verdringen bij warm weder elkander uit hunne plaats,
CR. NAT. 43