Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
660
de verwarmende kracht der zonnestralen van de rigting af, waar-
in zij een vlak treffen.
Wet: De zonnestralen verwarmen het sterkst
wanneer zij regthoekig op een vlak
vallen; hoe schuiner zij een ligchaam treffen,
des te minder verwarmen zij het.
Daaruit verklaart zich 1) de dagelijksche afwissen
ling der warmte; des morgens en 's avonds treffen de zon-
nestralen de aarde zeer schuin; op den middag wijkt hunne rig-
ting minder van de loodregte af; derhalve is in alle jaargetijden
de middag de warmste tijd van den dag. 2) De jaarlijksche
afwisseling der warmte; het onderscheid tusschen zo-
mer en winter heeft op dergelijke wijze zijnen grond daarin, dat
in den zomer de zon op den middag veel hooger staat en hare
stralen aan ons werelddeel veel minder schuin toezendt dan in
den winter; daarbij komt dat de zon gedurende de langere zo-
merdagen zich langer tijd boven den horizon bevindt en dus
langer tijd verwarmend werkt dan in de korte winterdagen.
3) Verder wordt de verscheidenheid der klimaten van
de aardgordels door de verschillende rigting der neerval-
lende zonnestralen bewerkt, welke de heete luchtstreek loodregt,
de gematigde matig schuin en de koude zeer schuin treffen; van
daar de gloeijende hitte der gewesten aan den evenaar en de
koude der poolgewesten, waar grond en water bijna altijd tot
eene aanmerkelijke diepte bevroren zijn.
Door brandspiegels en bran dg 1 a ze n (§ 312 en 320)
Brand- worden eene menigte verwarmende zonnestralen opgevangen en
spiegels in hunne rigting zoo veranderd, dat zij allen in een punt za-
brand- menkomen en hier door hunne vereenigde werking eene hitte
glazen, voortbrengen, sterk genoeg om ligt brandbare ligchamen te doen
ontbranden. De graaf Tschirnhausen liet van eene dikke
koperen plaat een brandspiegel van bijna 2 ellen middellijn
vervaardigen, met welken op een afstand van 12 palmen zilver
gesmolten, baksteenen en aarde verglaasd werden; graaf B u f-