Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
657
356. III. Opwekking van warmte door scheikundige Opwek-
werkingen. Het meest brengen wij door het verbranden
van hout en andere brandstoffen warmte voort; het verbranden door
is eene scheikundige werking, die reeds in § 259 en volg. be-
sproken is. Gelijke gewigtshoeveelheden van verschillende brand- werkin-
stoffen ontwikkelen ongelijke hoeveelheden warmte. Om haar 8®°'
verwarmingsvermogen te onderzoeken, heeft men door proeven
nagegaan, hoe veel ponden water door een pond der te onderzoe-
ken brandstoffen tot een bepaalden warmtegraad verhit worden.
Men vond dat door steenkolen, houtskolen, coaks en spiritus
ongeveer de viervoudige, en door droog hout de dubbele warm-
tehoeveelheid opgewekt wordt van die, welke door de zelfde ge-
wigtshoeveelheid gewone turf wordt ontwikkeld. De door ver-
branding opgewekte warmte moet men zoo volkomen en voor-
deelig mogelijk trachten te gebruiken , en aan de haarden en
kagchels eene doelmatige inrigting geven, daar bij een open
vuurhaard slechts het twintigste en bij de meeste kamerverwar-
mingen naauwelijks het vijfde deel der ontwikkelde warmtehoe-
veelheid werkelijk gebruikt wordt, en het overige geheel verloren
gaat. Een goed ingerigte kagchel moet niet slechts aan de kamer
eene toereikend groote oppervlakte toekeeren, maar de verbran-
ding moet ook levendig en volkomen geschieden, en de rook, eer
hij ontwijkt, er zoo doorheen geleid worden, dat hij haar het
grootste deel zijner warmte afgeeft. De beste der bij ons gebrui-
kelijke vormen van kagchels is de zoogenaamde m a n t e 1 k a g-
chel, op wier werking wij later zullen terug komen.
Even als de verbranding, gaan ook de meeste andere schei-
kundige werkingen met eene opwekking van warmte gepaard.
Proef«. Een stuk ongebluschten kalk besprenge Bias-
men met water; het verhit zich in korten tijd dermate, dat zijne sehen
van den
warmte voor de vingers ondragelijk wordt, en gaat tot een poeder kalk.
over, dat het stuk kalk in gewigt overtreft. Met den kalk
heeft zich water tot een nieuw ligchaam, gebluschten
kalk, verbonden, in welken het in vaste gedaante voorhanden