Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
639
namelijk een regenboogslechtsdan,wanneermen
eene regenwolk voor zich en de zon in den rug
heeft. Slechts door eene terugkaatsing van den donke-
ren achterwand der regendroppelen wordt het mogelijk dat de
gekleurde stralen in het oog komen. Gelijk zich ook met een
glazen bol vol water, op welken men in eene verduisterde ka-
mer een zonnestraal leidt, laat bewijzen,wordendezonne-
stralen bij de intrede in de regendroppelen ge-
broken, door hunnen donkeren achterwand te-
terug gekaatst en bij het uittreden uit dedrop-
peleu nogmaals gebroken en in gekleurde stra-
len verdeeld. Op de ontstane droppelen valt de zonnestraal
S A, ondergaat bij zijne intreding daarin in het punt A zijne
eerste breking en ontmoet in B den donkeren achterwand van
den droppel; door dezen terug
373. gekaatst, wendt de lichtstraal
zich naar C en wordt hier bij
zijn uittreden in de lucht in
zeven gekleurde stralen ontbon-
den , onder welke de onderste,
roode straal het minst afgeleid
is, en van de rigting van den
opvallenden zonnestraal S A
43 graden, bijna, de helft van
een regten hoek, afwijkt.
Welke onder de gekleurde stralen in het oog komt, hangt van
den stand van dit laatste af; bevindt het zich in de rigting der
roode stralen dan neemt het deze waar, in de rigting der gele
daarentegen de gele stralen. Ligt kan men aan dauwdroppe-
len, die aan planten hangen , de waarneming doen, dat iedere
droppel bij een bepaalden stand van het oog er slechts eene
enkele soort van gekleurde stralen aan toezendt.
Van deze wijkt de rigting der overige gekleurde stralen zooda-
nig af, dat zij ongemerkt voor het oog voorbij gaan. Onder de