Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
638
Pig. 372. lens van kroonglas geplaatst, neemt eene min-
der uitgeholde holle lens van flintglas, omdat zij
de violette stralen bijna dubbel zoo sterk afleidt,
de gekleurde randen weg, omdat nu de verschillend
gekleurde stralen den zelfden weg nemen. Maar de
brekende kracht der bolle lens wordt geenszins op-
geheven, omdat het holle glas eene geringere uit-
holing heeft. Een glas, aldus uit eene bolle lens van kroonglas
en eene uitgeholde lens van flintglas zamengesteld, heet eene
achromatische, d.i. kleurlooze lens. Dergelijke glazen vindt
men thans aan alle goede optische werktuigen.
Kegen-
boog.
349. De regenboog. Overal waar talrijk nedervallende
waterdroppels door het heldere zonnelicht beschenen
worden, biedt zich de gelegenheid aan om een regenboog waar
te nemen. Hij vertoont zich zoo wel in de verdeeld nedervallen-
de waterstralen eener groote fontein of van eene bij zonneschijn be-
proefd wordende brandspuit, als in den stofregen der waterdrop-
pelen, die door een waterval, door de schepraderen eener stoom-
boot of den golfslag der zee opgespat worden. In het groot echter
vormt de regenboog met zijne zeven prismatische kleuren, onder
welke rood de uiterste plaats inneemt en violet het verst naar
binnen gelegen is, zich dan, wanneer de zonnestralen eene re-
genwolk treffen, die zich tegenover de zon bevindt. Waar geene
droppels voorhanden zijn, kan ook geen regenboog ontstaan; is
de regenwand niet groot genoeg van omvang, of vallen er slechts
uit een gedeelte der wolk regendroppelen., dan vormt zich een
gekleurd stuk van een boog. Voorzeker ontstaat dus de regen-
boog door eene verandering, welke het witte zonnelicht in de
waterdroppelen ondergaat. In deze wordt het zonnelicht
gebroken en in gekleurde stralen verdeeld.
Doch na de plaats gehad hebbende breking zouden de gekleurde
lichtstralen nog geenszins in het oog des waarnemers komen, in-
dien deze niet een bepaaldstand punt had ingenomen. Men ziet