Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
628
lichtingsspiegel dient, en haar licht wordt door dezen
op de af te beelden voorwerpen geworpen; deze zijn met door-
schijnende kleuren op strooken glas geschilderd en worden door
eene opening tusschen de lamp en de lenzen ingeschoven. De
digt bij elkander staande lenzen werken als eene enkele»
sterk gewelfde, en hebben het voordeel dat zij aan het beeld
eene grootere helderheid geven. Door haar wordt op grooteren
afstand een omgekeerd en vergroot objectief beeld ontworpen,
en op den wand van eene donkere kamer of op eene doorschij-
nende gordijn opgevangen. Opdat de beelden een regten stand
verkrijgen, moeten de beschilderde glasreepen er verkeerd in ge-
schoven worden.
Tot het voortbrengen van nevel- of zwevende beelden
(dissolving views) worden twee gelijke tooverlan-
taarns vereischt. Iedere daarvan werpt, zoo lang er nog geene
glasreepen met beelden ingeschoven zijn, een helderen cirkel
op de doorschijnende gordijn, voor welke de toeschouwers zich
bevinden ; beide lantaarns worden nu zoo gerigt, dat de door haar
beschenen cirkels naauwkeurig in éénen zamenvallen. Alsdan
wordt de vlam in de tweede lantaarn zoo klein mogelijk gehou-
den , een scherm er voor gezet en b. v. eene glasreep met een
winterlandschap ingeschoven, dat zich thans niet op de door-
schijnende gordijn kan afbeelden. In de eerste tooverlan-
taarn daarentegen met helder glinsterend licht wordt eene glas-
reep met de zelfde landouw, als zomerlandschap geschilderd,
ingezet. Terstond verschijnt dit zomerlandschap in volle duide-
lijkheid op de gordijn. Maar terwijl men het heldere licht der
eerste lantaarn langzamerhand verzwakt, verliest het landschap
zijne duidelijke omtrekken en vertoont zich onduidelijk en als in
nevel gehuld. Gelijktijdig verwijdert men het scherm van de
tweede tooverlantaarn met het winterlandschap en vermeerdert
hare verlichtende kracht; zoodra zij genoegzaam helder brandt,
en het scherm voor de eerste lamp gezet is, treedt het helder
verlichte winterlandschap, uit den nevel te voorschijn komende ,