Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
592
het netvlies n n, eene_netvormige uitbreiding der in den
aehtergrond van het oog intredende gezigtszenuw s en de eigen-
lijke zetel der gezigtsaandoening. — Achter de pupilla bevindt
zich een lensvormig ligchaam van eenigzins vastere massa, de
kristallens K, welke de inwendige ruimte van het oog in
twee ongelijk groote kamers, de kleinere voorste tot aan het
hoornvlies, en de grootere kamer in den achtergrond van het
oog verdeelt. Beide zijn met vloeistoffen, de voorste kamer met
het waterachtig vocht, de achterste kamer met het ins-
gelijks doorzigtige glasvocht of glasachtige ligchaam gevuld.
De van buiten komende lichtstralen komen door het bolle
hoornvlies en door de pupilla tot de kristallens. Door deze wor-
den zij, gelijk door iedere bolle lens, gebroken en tot een omge-
keerd beeld vereenigd. Door deze brekingen ontstaan
kleine omgekeerde beelden op het netvlies, ge-
lijk ook de proeven, met de oogen van gedoode groote dieren
genomen, bewezen hebben. De lichtprikkel, dien de zich veree-
nigde stralen op eene plaats van het netvlies en daardoor op de
gezigtszenuw uitoefenen, geeft ons kennis van een waarneem-
baar voorwerp.
Het gebrek van het oog, dat meu de graauwe staar
noemt, en dat dengene, die er mede behebt is, alles als in een
nevel gehuld doet toeschijnen, bestaat in het ondoorschijnend
worden der kristallens, en maakt het wegnemen daarvan en het
gebruik van een lensglas noodig. De zwarte staar bestaat in
eene ongevoeligheid van het netvlies en is ongeneeslijk. De vliegen-
de punten en parelsnoeren in het oog ontstaan door kleine lig-
chaampjes, die zich in het watervochtof in het glasvocht bevinden.
330. Hegt zien en eiikelvoudig zien. De beelden, door
de kristallens op het netvlies gevormd, zijn omgekeerd; waarom
zien wij desniettegenstaande de voorwerpen regt? De lichtstra-
len, die van het beneden liggende punt b van een of ander lig-
chaam in het oog vallen, worden door de kristallens zoodanig